baner baner baner

Woordenlijst Bouvier Dressuurgroep Hoofddorp

Aangeboren gedrag: Gedrag dat niet geleerd hoeft te worden. 

Aankijkgedrag: Imponeren d.m.v. aankijken. 

Abnormaal gedrag: Atypisch gedrag, afwijkend van het normale gedrag. 

Actieve onderwerping: Met lage lichaamshouding likbeweging maken richting ranghogere. 

 


Agonistisch gedrag: Omvat alle gedragshandelingen die zich bevinden tussen aanval en vlucht, inclusief de daadwerkelijke aanval of vlucht. Dit gedrag komt voor bij paarvorming, tijdens het eten en bij

de verdediging van de jongen. Agressieverschuiving: Agressief gedrag wordt geuit op een voorwerp, dier of persoon die niet de agressie opwekt. 

Alpha-dier (-dier): Het dier dat de hoogste in rang is in een sociaal levende dierengemeenschap. 

Alpha-type: Moeilijk trainbaar type hond door de sterke wens van de hond om Alfa-dier te zijn. 

Allelomimetischgedrag: Andere benaming voor aanstekelijkgedrag 

Ambivalentgedrag: Tegenstrijdig gedrag/dubbelwaardig gedrag. Elementen van twee gedragssystemen worden dus gecombineerd. 

Antagonistischgedrag: Werking/strijd van twee tegengestelde driften. 

Antropomorfisme: Het onterecht aan dieren toeschrijven van een menselijke persoonlijkheid. 

Apporteerdrift: Drift om buit(voedsel) naar de roedel(leider) te brengen. 

Bêta-dier (ß-dier) Het dier dat de 2e in rang is, in een sociaal levende dierengemeenschap. 

Bewakingsdrift: Drift om indringers te waarschuwen uit het territorium te blijven d.m.v. blaffen, grommen en bijten. 

Buitdrift: Drift om buit(voedsel) te willen bijten en te doden. 

Cholericus: Hond met een sterk onevenwichtig zenuwstelsel. 

Drift: Onderbewuste impuls om te reageren op een aansporing (prikkel). 

Fenotypisch: Het zichtbare fysische resultaat van een bepaalde genetische samenstelling. 

Flegmaticus: Trage hond met een evenwichtig zenuwstelsel. 

Genotypisch: De genetische samenstelling van een organisme. 

Hardheid: Mate van herstelvermogen van het gemoed t.o.v. onplezierige ervaringen. 

Hetrozygoot: Fokonzuiver, d.w.z. vaderlike en moederlijke genen hebben niet dezelfde kenmerken overgedragen aan de nakomelingen. 

Homonygoot: Fokzuiver, d.w.z. vaderlijke en moederlijke genen hebben dezelfde kenmerken overgedragen aan de nakomelingen. 

Instinct: Afgeronde, aangeboren handeling die bepaald is voor de soort als reactie op een sleutelprikkel. Konrad Lorenz omschreef het in de definitie-erfcoördinatie. 

Intentiebeweging: Niet "afgewerkte" handeling/het blijft bij een intentie. 

Jachtdrift: Drift om buit(voedsel) dat niet in zicht is\te ruiken is etc te willen achtervolgen. 

Melancholicus: Hond met een zwak zenuwstelsel. 

Moed: Afwezigheid van angst t.o.v. voorwerpen of voor situaties. 

Omega-dier: Het dier dat de laagste rang heeft in een sociaal levende dierengemeenschap. 

Omgerichtgedrag: Zinloos gedrag, bijvoorbeeld gericht op een verkeerd voorwerp. 

Onderworpen/deemoedig/onderdanig: Dient om het ridderlijksheidsinstinct bij de "ander" in werking te laten treden. 

Oversprongbewegingen: Nieuw gedrag dat niets te maken heeft met de geactiveerde gedragssystemen. 

Prikkeldrempel (hoog/laag): Sterkte van de prikkel die nodig is om een bij de prikkel horende reactie te bewerkstelligen. 

Progressieve desensititatie: D.m.v. kleine stapjes de hond ongevoelig maken voor een bepaalde prikkel. 

Rangordedrift: Drift om hoger in rang in een roedel te willen zijn. 

Ridderlijksheidsinstinct: De "remming" treedt in werking als reactie op de onderwerping van de "ander". 

Roedeldrift: Drift om aanwezig te willen zijn in een roedel\leefgemeenschap voor emotioneel contact. 

Sanguinicus: Bewegelijke hond met een sterk evenwichtig zenuwstelsel. 

Scherpte: De aanleg om agressief te reageren op o.a. buit- en verdedigingsprikkelingen 

Speeldrift of speldrift (volgens Erich Klinghammer): Speelgedrag kan beschouwd worden als gedrag "dat niet serieus is". In speeldrift, nieuwe gedragsvormen worden ontdekt, of gedragsvormen of delen van gedragsvormen komen in gedachte op die in een andere context serieus van opzet zouden zijn, zoals vluchten aanvallen en prooi vangen.De gedragsvormen schijnen niet serieus te zijn , daar zij niet de biologische weg volgen dat ze zich verder ontwikkelen gedurende de phylogenetic geschiedenis van de hond. De gedragsvormen kunnen afwisselend gecombineerd worden. Zo is er voor het gedrag geen voorgeschreven leefomgeving of prikkel die er moet zijn en is ook geen strikte volgorde waarin de gedragsvormen elkaar moeten opvolgen. 

Speurdrift: Drift om op de grond door mensen of dieren verspreide lucht (spoor) te willen vlogen. 

Spiegelgevechten: Schijngevechten d.m.v. imponeren etc. 

Submissief: Onderdanig 

Temperament: Houding t.o.v. het leven. 

Trainbaarheid: Drift om aan de wens te willen voldoen van de roedelleider. Het al of niet wezen van een alfa-type hond. 

Vechtdrift: Drift om fysieke gevechten moedig aan te willen gaan met rivalen. 

Verdedigingsdrift: Drift om de roedel te willen verdedigen. 

Zachtheid: Mate van gevoeligheid voor onplezierige ervaringen.

 

Het Bestuur van de BDH 
(Bouvier Dressuurgroep Haarlemmermeer)  
Arnolduspark 12,  2132 CR, Hoofddorp.