baner baner baner

VZH / IPO training Dressuurgroep Hoofddorp

Communicatie en hoe honden leren!!

Willen wij onze honden iets leren (africhten), dan zullen we op de hoogte moeten zijn hoe honden communiceren en hoe een hond is te scholen.

Dit hoofdstuk beschrijft deze materie.


 

 

Invloedsfactoren

Voordat ik in ga op de trainingsmethodieken wil ik er nog eens op wijze dat er meer van invloed is op gedrag dan alleen de trainingsmethodiek. Dit feit is iets waar men wel degelijk rekening mee moet houden. Het kan een reden zijn waarom een hond aan bepaalde verwachtingen niet voldoet of tijdelijk niet meer aan voldoet. De Amerikaanse gedragsonderzoeker Zing Yang Kuo verdeelde de bepalende factoren voor het gedrag in vijf hoofdgroepen:

1.morfologische factoren (de vorm en de bouw van de hond)
2.biofysische en biochemische factoren (de huidige biologische en chemisch toestand van de hond)
3.stimulerende objecten (het deel van het milieu waarin de hond verkeert)
4.ontwikkelingsgeschiedenis (de individuele geschiedenis van de hond met betrekking tot zijn lichamelijk en emotionele ontwikkeling)
5.milieufactoren (het referentiekader voor elk gedrag)

Tevens is het natuurlijk zo dat de genetische inhoud v.w.b. het wezen van de betreffende hond bepaald wat er maximaal haalbaar is.


Frank


Lichaamstaal

Belangrijk in de communicatie met de hond is dat men zijn lichaamstaal kan lezen. O.a. de expressie van de gelaatsuitdrukkingen, de stand van de staart en de houding van het hondenlichaam. Konrad Lorenz heeft er hele boeken over geschreven. Opmerkelijk is dat de communicatie van soortgenoten onderling voor 90 procent geschiedt met lichaamstaal. Het uitstoten van geluiden om soortgenoten gebeurtenissen en gemoedstoestanden duidelijk te maken heeft misschien wel een secundaire functie in deze communicatiewereld. In deze lichaamstaal, waarin dieren elkaar duidelijk maken hoe zij t.o.v. elkaar staan, is een ding opmerkelijk, namelijk: het heeft altijd in beweging en in stilstand zijn vaste patronen.
Een belangrijk punt om te houden is dat niet alleen wij als africhter de lichaamstaal van de hond moeten kunnen lezen maar ook de hond onze lichaamstaal continue leest! Onze eigen lichaamshoudingen gedurende de trainingen zijn dus erg belangrijk.

 


Het onderscheidend vermogen van de hond voor verschillende klank en toonhoogte

De stem ie één van de grootste instrumenten waar iedere geleider zijn hond mee moet africhten. Het woord intonatie omvat eigenlijk alles. Vertaald kunnen we zeggen : inzet op een bepaalde toon en wisseling van de toon bij het spreken. Een hond is zeer gedreven in het ontdekken van de betekenis van de verschillende klank en toonhoogten. Een geleider moet leren een goed verschil te maken in de toonhoogte tussen belonen en bestraffen met de stem. Harde commando’s zijn niet nodig daar het gehoor van een hond vele malen beter is dan dat van de mens.
Buiten de waarneembare communicatie is ook het telepathische vermogen van de hond zeer sterk ontwikkeld. Probeer hem nooit te prijzen wanneer je hem feitelijk wel de grond kunt intrappen. Eerlijkheid in de africhting is een grote versneller in het proces naar resultaat!
 

Henk met noa


De leerwetten van de hond

Gedrag ontstaat niet uit geïsoleerde en onsamenhangende handelingen en gebeurtenissen. Een hond kan men dan ook iets leren. Dit leren van een hond omvat dan alle processen, waardoor de hond zich aan zijn omgeving aanpast (gedragveranderingsprocessen) en die niet op vererfde mechanismen, op rijping, of vermoeidheid teruggevoerd kunnen worden.
 

Jan


Ik vervolg het beschrijven van de materie over het ontstaan van gedrag met een uiteenzetting van de basis leerwetten van de hond. Deze basis van de leerwetten behoort men te kennen als men een hond gaat africhten. Maar om de hoogste resultaten de bereiken zal er meer nodig zijn dan het toepassen van deze basis leerwetten. Driften spelen dan een grote rol bij de africhting van een hond. Daarom zal later bij het bespreken van trainingsmethodieken hoofdzakelijk over drifttoepassingen gesproken worden.
Maar eerst dus de basis leerwetten van de hond. Een hond kan op twee verschillende manieren leren. D.m.v. de leerwijze van de klassieke conditionering of volgens de operante conditionering. In de praktijk worden beide gecombineerd toegepast bij de africhting van de hond.


*Klassieke conditionering (ook wel onvrijwillig leren genoemd)
Is een prikkel vervangen door een andere prikkel met hetzelfde gedrag als resultaat als reactie op de nieuwe prikkel. M.a.w. de twee prikkels, die bij het aanleren een aantal keren tegelijkertijd optreden, krijgen de zelfde betekenis. Ze krijgen dus dezelfde "prikkelwaarde".
Het was de Russische fysioloog Ivan Petrovitch Pavlov (1849-1936) die deze mogelijkheid ontdekte d.m.v. zijn experiment met een hond. Bij dit experiment gaf hij kort na het luiden van een bel de hond voedsel. Na enkele keren dit zo gedaan te hebben, liep bij de hond het water al uit zijn bek bij het horen van de voordien betekenisloze bel zonder dat er vlees te zien of te ruiken was. Hij noemde dit gedrag "geconditioneerde reflex" ofwel "voorwaardelijke reflex". Het proces om het te leren noemde hij de "conditie" ofwel "voorwaarde". Het gaan kwijlen van de hond tijdens de proef van Pavlov bij het zien of proeven van voedsel is iets wat de hond niet aangeleerd hoeft te worden. Het is een aangeboren reactie op een specifieke prikkel. In de vakliteratuur noemt men deze prikkel die een aangeboren reactie teweeg brengt een primaire of ongeconditioneerde prikkel. De bel krijgt dus de zelfde betekenis als de primaire /ongeconditioneerde prikkel. Een prikkel die de primaire /ongeconditioneerde prikkel kan vervangen noemt men in de vakliteratuur de secondaire of geconditioneerde prikkel.

Een voorbeeld van klassieke conditionering is het aanleren van de betekenis "foei" en "nee":
De "nekbeet" (=d.m.v. slipketting) is de onaangename natuurlijke (primaire) waardeprikkel voor een correctie.
Deze "nekbeet" laat men nu voorafgegaan door de neutrale akoestische prikkel "foei" of "nee".
Door de koppeling van de neutrale prikkel "foei" of "nee" aan de onaangename waardeprikkel van de "nekbeet" neemt de neutrale prikkel op den duur de betekenis van de waardeprikkel over. 
"Foei /nee"‑(secondaire)prikkel kan dan dus de "nekbeet" ‑prikkel vervangen.

Bij dit voorbeeld vermeld ik dat het een wetenschappelijk vaststaand feit is, dat de hond circa zestig woorden /commando­'s kan onthouden (uit Becht­old,"africhting",b­lz 29).
 

Wel is het ook zo dat honden bij de proef van Pavlov (bel voedsel /bel speekselvorming) op den duur zijn gaan vergeten (er treedt geen speekselvorming meer op) als het geven van voer bij het horen van de bel achter wegen ging blijven. De hond kan dus ook iets vergeten! Daarom moet men altijd oefeningen blijven herhalen. Bij een grote terugval in het aangeleerde heeft men het snelst het beste resultaat weer terug door het geheel van voor af aan weer op te bouwen (uit Ochsenbein,"hundeausbildung",blz 105).

D.m.v. deze leervorm, het dus veranderen van de oorspronkelijke prikkelvoorwaarde, kan bijvoorbeeld: angst voor het oefenterrein, arbeidsvreugde, arbeidsonlust en driftstemming bij de verdedigingsdienst aangeleerd worden.
Honden leren op deze wijze hoe te reageren op de toonhoogte van woorden en lichaamshoudingen afkomstig van de geleider.
Men van de pakwerker de sleutelprikkel maken voor buit- en verdedigingsgedrag.

 

Jords


*Operante conditionering (ook wel instrumentele conditionering of vrijwillig leren genoemd)

Het fundamentele principe van de operante conditionering is dat gedrag wordt bepaald door de gevolgen die het gedrag heeft voor het individu. De consequenties die volgen op bepaalde gedragshandelingen van de hond, of zij nu goed, slecht of van geen belang zijn, hebben altijd effect op de frequentie waarmee die handeling in de toekomst zal worden herhaald. Bij het trainen volgens de operante conditioneringtechniek wordt gedrag gemanipuleerd door gebruik te maken van positieve en negatieve bekrachtiging, correctie en extinctie (d.m.v. negeren).

Anders gezegd: leren d.m.v. operante conditionering is gebaseerd op een bekrachtiging, correctie of extinctie bij een bepaald gedrag, waardoor als gevolg hiervan een herhaling of geen herhaling van het gedrag zal volgen. Daarbij is de timing van het toedienen van bekrachtiging, correctie of extinctie essentieel als men ervoor wil zorgen dat de hond de link legt tussen zijn gedrag en de directe gevolgen daarvan. Deze theorie is oorspronkelijk in de jaren 1930 ontwikkeld door professor B.F. Skimmer nadat hij het gedrag van ratten het bestudeerd. Van hem komt ook de benaming operante conditionering.­


Wat betreft positieve en negatieve bekrachtiging.
Per definitie heeft bekrachtiging als resultaat dat er een toename optreedt in de frequentie van bepaald (gewenst of ongewenst) gedrag. 
Een positieve bekrachtiger is die prikkel die een hond door gedrag probeert te verwerven, bijvoorbeeld voedsel. De positieve bekrachtiging verhoogt de kans op een gedraghandeling door het toedienen van een aangename prikkel onmiddellijk na beëindiging van het dat gedrag. Naast het gegeven voorbeeld van voedsel als positieve bekrachtiger kan zo ook een bepaald (stem)geluid als een positieve bekrachtiger dienst gaan doen. Dit is dus te bereiken door het toepassen van de beschreven methode van klassieke conditionering. In dit geval door het gekozen (stem)geluid (= de secondaire prikkel) direct te laten klinken baar het beëdigen van het gewenste gedrag en gelijk daarop volgend voedsel (= de primaire prikkel) aan de hond te geven. Hiermee wordt het (stem)geluid een positief geconditioneerd signaal wat op den duur een zelfstandig positieve bekrachtiger kan worden en dus het voer eventueel vervangen kan.


Daarnaast is een negatieve bekrachtiger elke prikkel die wanneer deze wordt verwijderd, verminderd, onthouden of voorkomen - na verloop van tijd eveneens de kans op een bepaalde gedragsreactie zal verhogen. Dwangapport is hier een goed voorbeeld van. Met de negatieve bekrachtiger "pijn" zorgt men ervoor dat men het gedrag apporteren krijgt. De hond wordt geleerd dat hij "pijn" kan voorkomen door een goede apporteeroefening uit te voeren. Ik gebruik hier de term "pijn" om het principe van een negatieve bekrachtiger zo duidelijk mogelijk te beschrijven. Over het feit dat men het begrip "pijn" moet relativeren in de context zoals ik het bedoel in zijn toepassing kom ik later uitgebreid op terug. Men moet deze "pijn" in ieder geval niet zien als traumatisch /schadelijk /gemeen /hondonvriendelijk!
Een wezenlijk verschil tussen de positieve en negatieve bekrachtiger is dus het moment van toedienen. Positieve bekrachtiging volgt onmiddellijk na een (gewenst of ongewenst) gedrag. Van de negatieve bekrachtiging wil de hond af /voorkomen door een bepaald (gewenst of ongewenst) gedrag uit te gaan voeren.

Wat betreft correctie

In het vakjargon van het trainen van dieren wordt, net als bij bekrachtiging, gesproken over positieve en negatieve correcties. Maar bij het trainen met honden wordt alleen gebruik gemaakt van het toedienen van positieve correcties.
Een positieve correctie is elke prikkel die, wanneer die onmiddellijk volgt op een gedraghandeling, de kans op het optreden van dat gedrag na verloop van tijd vermindert. Bijvoorbeeld de hond krijgt een correctie als hij een koekje van tafel wil stelen of wanneer hij bij het manwerk niet wil lossen op commando.
Voor de volledigheid beschrijf ik ook de negatieve correctie. Een negatieve correctie is het verwijderen of onthouden van een aangename prikkel, die het dier graag verwerft, direct volgend op een ongewenst gedragshandeling van een dier, waardoor de frequentie van die handeling in de toekomst zal afnemen. Uit literatuur blijkt dat men bij het trainen van zeezoogdieren soms gebruik maakt van negatieve correctie.
Men heeft vaak moeite correctie en negatieve bekrachtiging uit elkaar te houden. Maar er is een groot verschil. Correctie vermindert, per definitie, de kans dat een bepaalde gedragshandeling opnieuw zal optreden, terwijl negatieve bekrachtiging de kans dat een gedragshandeling zich weer voordoet juist per definitie verhoogt. 
Als ik in dit werkstuk in het vervolg spreek over een correctie dan bedoel ik daarmee een positieve correctie.

Wat betreft extinctie.

Bij extinctie wordt ongewenst gedrag afgeleerd door het ongewenste gedrag te negeren. Technisch gesproken wordt het negeren van ongewenst gedrag extinctie (uitdoving) genoemd. Het is een trainingstechniek waarbij het geven van een bekrachtiger achterwege wordt gelaten. Als een gedrag noch gunstig noch ongunstige gevolgen heeft, zal het meestal na verloop van tijd vanzelf verdwijnen, m.a.w., het zal uitdoven. Bijvoorbeeld grote onderdanigheid of aandachtvragen kan afgeleerd worden door het volledig te negeren.

 


Het combineren van operante en klassieke conditionering

Ik gaf al aan dat bij het trainen met de basis leerwetten van de hond operante en klassieke conditionering gecombineerd wordt toegepast. Het volgende schema brengt dit als voorbeeld in beeld, gevolgd door een schema met hoe dit voorbeeld bij een praktijkoefening toegepast zou kunnen worden.

Bij het trainen met de basis leerwetten van de hond wordt van de volgende regels en theorieën uit gegaan.

Het aanleren
-Een positieve bekrachtiger, een negatieve bekrachtiger en correcties kunnen enkele en alleen plaatsvinden als reactie op het gedrag van de hond NA een commando van de geleider. Deze volgorde mag nooit omgekeerd worden.
-Voor het aanleren van gewenst gedrag wordt in de aanleerfase elke aanzet tot het gewenste gedrag beloond. Hier bedoel ik met beloning het de hond toekomen van een positieve bekrachtiger.
-Voor het aanleren van gewenst gedrag wordt in de herhalingsen afwerkingsfase alleen gewenst gedrag beloond, dat volledig en correct wordt uitgevoerd. Nog later worden er intervallen tussen de beloningen ingevoerd.
-Want als een bepaald gedrag elke keer beloond wordt op den duur, neemt de bereidheid dit gedrag uit te voeren af.
-En als een bepaald gedrag met verschillende tussenpozen beloond wordt, de bereidheid dit gedrag te tonen het grootst wordt.
-Iets is ook aan te leren door bij gewenst gedrag een negatieve bekrachtiger weg te laten vloeien. Het weg laten vloeien van een negatieve bekrachtiger zou men dus hier een vorm van een "beloning" kunnen noemen.

Het afleren
-Voor het afleren van ongewenst gedrag dat voorkomt uit bijvoorbeeld grote onderdanigheid of 
aandacht vragen, het ongewenst gedrag volledig genegeerd dient te worden.
-Ander ongewenst gedrag wordt afgeleerd door het elke keer te corrigeren en er ander gedrag, dat beloond kan worden, voor in de plaats te stellen.
-Want als gedrag met verschillende tussenpozen wordt gecorrigeerd, wordt de bereidheid om dit gedrag uit te voeren het grootst.
-En als een bepaald gedrag elke keer gecorrigeerd wordt, op den duur de bereidheid dit gedrag te vertonen af neemt.
-Als bij een bepaald gedrag nooit een bekrachtiging of correctie krijgt, neemt de bereidheid om dit gedrag te voeren af.


Tevens moet men onthouden dat ELKE hond een Egoïst is en werkt uitsluitend werkt om een BELONING te krijgen (en/of een CORRECTIE te vermijden) en zeker NIET om zijn baas een plezier te doen!!

 


Opbouw van de hond met gebruikmaking van zijn natuurlijke eigenschappen - de driften

Hiervoor ben ik op verschillende manieren erg diep ingegaan op de basis leerwetten van de hond. Het vervolg op deze basiskennis is eigenlijk niet meer dan het verder ingaan op het begrip operante conditionering.


Wat bij de opbouw van de hond betrokken dient te worden is de kennis van de herkomst van de verschillende gedragskenmerken van de hond. Men behoort van de verschillende psychische gedragsuitingen de biologische grondslag te kennen. Niet voor niets begint dit werkstuk dan ook met een grafische voorstelling (naar Seiferle) over dit item. Het onderkennen van bepaalde driftvormen is geen eenvoudige zaak, mede omdat bij een vergelijking met de stamvader van alle honden, de wolf, duidelijk wordt dat door domesticatie de uitdrukkingsvormen enigszins veranderd zijn. Tevens is het zo dat (kyn)ethologisch gezien driften moeten worden onderverdeeld in afzonderlijke driften, maar een bepaald gedrag van een hond gezien moet worden als een resultaat van een zeer snelle opeenvolging van een aantal driften. 

Van deze kennis van de herkomst van de verschillende gedragskenmerken gaan we gebruik maken. We gaan nu de motivering van de hond, om over te gaan in de uitvoering van een bepaald gewenst gedrag, verhogen. Dit doen we door heel bewust een hond een bepaald driftdoel te laten bereiken. M.a.w. we werken er naar dat elke handeling die de hond uitvoert zijn motivering heeft in het willen bereiken van een driftbevrediging. En met elke handeling bedoel ik echt elke handeling. Het moet dan zelfs zo zijn dat bij het appèl of manwerk de hond de geleider c.q. pakwerker wil activeren op het moment dat deze in zijn ogen even geen aandacht aan hem schenkt, om zo zijn driftbevrediging te kunnen bereiken. Door de hond zeer sterk te motiveren, dit dus door de hond zeer hoog in drift te brengen door een driftsterke sleutelprikkel, zal de hond des te gretiger worden om het gewenste gedrag optimaal te vertonen. We spreken over operante conditionering d.m.v. driftbevrediging.

Wat betreft driften en hun theorie nog het volgende.
Volgens de Oostenrijkse gedragsonderzoeker prof. dr. Konrad Lorenz staan alle kleinere driften in dienst van de "grote vier", ofwel de gedragssystemen van de eerste orde.
Gedragssystemen geven gedragselementen of andere gedragssystemen met gedragselementen.

De gedragssystemen van de eerste orde zijn:
1)Voedselverwerving
2)Voortplanting
3)Vlucht
4)Agressie

Al deze systemen zijn gericht op de instandhouding van de soort. Gedragingen die bij conflicten tussen de verschillende systemen naar voren komen zijn o.a. ambivalentgedrag, omgerichtgedrag en overspronggedrag.
De gedragssystemen van de eerste orde brengen dus ook de driften waarvan we gebruik maken bij de opbouw van de hond tot ons africhtingdoel. Denk hierbij aan de buitdrift, verdedigingsdrift, meutedrift etc.

Driften behoren in een zeer vroeg stadium bij een jonge hond tot ontwikkeling gebracht te worden. Echter behoord men er rekening mee te houden dat jonge honden nog niet lang in hun driften te houden zijn, daar deze dan nog snel wegvloeien. Voor ons mensen geldt dat talent voor een bepaalde sport op een zeer jeugdige leeftijd ontwikkeld dient te worden voor het verkrijgen van een optimaal resultaat op de langere termijn. Het aanwezig zijn van talent zonder goede ontwikkeling ervan brengt geen toppositie. Voor honden geldt niets anders! Techniek moet vroeg aangeleerd worden.

De buitdrift is zeer belangrijk bij de opbouw van de jonge hond in de africhting. Het is de drift die dient als vertrekpunt bij zowel het speuren, appèl als bij het bijtwerk, want buitdrift geeft de mogelijkheid andere driften te beheersen of te matigen. Deze mogelijkheid komt uit het feit dat buitdrift geen vermijdgedrag of sociale onderwerping te weeg kan brengen. En dat brengt met zich mee dat buitdrift voor de hond alleen maar positieve ervaringen met zich mee kan brengen. En daar kunnen we gebruik van maken. Het is namelijk zo dat honden altijd maar in één drift werkzaam kan zijn. Dus een hond zit in verdedigingsdrift of in vermijdgedrag of in de sociale onderwerping of in buitdrift etc. etc. De hond kan echter wel zeer snel omschakelen van de ene drift naar de andere drift. 
Zo kunnen we een hond die in verdedigingsdrift zit gedurende bijtwerk en dreigt te vervallen in het vermijden, deze snel over zetten in buitdrift. Vermijdgedrag wordt dan dus voorkomen en zijn inzet van de verdedigingsdrift wordt positief beloond. Wat de hond weer sterker gemaakt heeft in verdedigingsdrift. 
Als een jonge hond wordt gecorrigeerd gedurende een volgoefening bij appèltrainingen en dreigt hierdoor te veel in het vermijden te vallen geeft buitdrift (bal) de oplossing dit tegen te gaan. De buitdrift bevrediging (krijgen van bal) is hier dus de positieve bekrachtiger.
Buitdrift zal dus zijn bijdrage geven een hond uiteindelijk sterker en hoger richting een bepaald gewenste drift te kunnen brengen. En dit brengt dus met zich mee dat bij correcties door de geleider de hond minder snel in vermijdgedrag of sociale onderwerping zal vallen.
Gebruikmaken van buitdrift bij het gaan trainen met een zeer jonge hond is dus een MUST. Echter dient men met het volgende ten alle tijden rekening te houden. Te veel drift is funest! Een hond te hoog in drift is niets aan te leren. Een hond is te hoog in drift als men niet meer "door komt" bij de hond met lichte correcties. De controle over de hond /het respect van de hond is dan verloren gegaan. Vooral bij zeer temperament volle honden kan deze situatie snel ontstaan. Later kom ik over het verliezen van respect terug.

 



Een positief geconditioneerd akoestisch signaal bij de operante conditionering d.m.v. driftbevrediging

John Fisher wordt door vele gezien als de persoon die aan deze methode van trainen met operante conditionering d.m.v. driftbevrediging het gebruik van een positief geconditioneerd akoestisch signaal m.b.v. een "clicker" heeft toegevoegd. Echter midden jaren 1940 trainde Keller en Marian Breland al honden d.m.v. "Clicker"-training. Ongeveer tien jaar later ontwikkelde Keller Breland een soortgelijke "clicker"-training voor dolfijnen. Een "clicker" is een klein metalen voorwerp waarmee men met de hand een "click" geluid kan produceren. Door nu te "clicken" op het moment dat de hond gewenst gedrag vertoont en daarna direct de hond voedsel te geven wordt de "click" op den duur een positief geconditioneerd akoestisch signaal. De "click" wordt dus op deze wijze een positieve bekrachtiger, het voedsel een beloning. In literatuur wordt in dit geval het voedsel vaak omschreven als Primary Reinforcer wat gelijk staat voor "gewone of natuurlijke beloning". Er volgt dan een koppeling van de Primary Reinforcer met "iets", in dit geval de "click", waarbij dit "iets" dan de Conditioned Reinforcer is. Conditioned Reinforcer staat dan voor "aangeleerde beloning". Het grote voordeel van het creëren van een positief geconditioneerd akoestisch signaal is dat men de hond ook op een afstand een positieve bekrachtiging kan laten toekomen. Dat geeft dus de mogelijkheid altijd op exact het juiste moment een positieve bekrachtiging aan de hond te kunnen geven. Gezien deze timing zeer belangrijk is, maakt van het creëren van een positief geconditioneerd akoestisch signaal en het gebruik van deze op het juiste moment, een goede zaak. 
Nu hoeft dit geconditioneerd akoestisch signaal niet persé een "click" te zijn. Eigenlijk kan elk akoestisch signaal gebruikt worden tot het creëren van een positief geconditioneerd akoestisch signaal. Zo kunnen bijvoorbeeld de woorden "GOED ZO" hetzelfde effect gaan geven. Het gebruik van spraak i.p.v. een "clicker" lijkt mij in de hondenafrichtingssport veel praktischer. Al moet gezegd worden dat de "click"van een "clicker" neutraal, onmiddellijk, kort en niet te verwarren is.
Ik zal bij de hoofdstukken speuren, appèl en manwerk niet meer uitgebreid terugkomen op het creëren en het gebruik van een positief geconditioneerd akoestisch signaal. Echter hoop ik dat het nut en de toepasbaarheid van een dergelijk signaal in de opbouw van het speuren, appèl en het manwerk bij deze duidelijk is gemaakt.


Het is goed om te weten dat er naast het positief geconditioneerd akoestisch signaal ook het positief geconditioneerd visueel signaal bestaat. Een dergelijk visueel signaal kan bewust gecreëerd zijn door de geleider, echter is het zo dat er altijd onbewust door de geleider visuele (en ook akoestische) signalen geconditioneerd worden. Hoe het ook geschiedt, we kunnen er gebruik van maken bij het africhten van de hond. Zoals al eerder vermeldt, in communicatie d.m.v. lichaamstaal is een hond zeer gedreven! Als geen ander kan hij onze gemoedstoestand lezen aan onze lichaamshouding. Zo zal de hond ook snel door ervaringen met zijn geleider zichzelf conditioneren op negatieve visuele (en ook akoestische) signalen!

 


De voorwaarde om een optimale geleider te worden van een hond

In het woord hondengeleider zit het woord "leider". Dit houdt in dat we de hond leiden. Wij zijn de baas over de hond. 


Leiderschap moet worden verworven. In beginsel bestaat hij dus nog niet. Baas worden is dan nog altijd toekomst, voor sommigen zelfs een illusie. Baas 'zijn' daarentegen een verworvenheid. Leiderschap wordt afgedwongen door een juiste wisselwerking van onder andere:

- spelen
- genegenheid tonen en ontvangen
- bevelen opvolgen (consequent handelen)
- duidelijkheid (weet de hond wat ik van hem verlang?)
- erkennen van autoriteit (dit geldt ook voor de geleider naar de hond toe, b.v. bij het speuren de hond onterecht van het spoor aftrekken, omdat jij het zo nodig beter wilt weten)
- het vertrouwen in eigen kracht
- rustfases, een verworven recht van baas en hond
- verzorging (voeding- vachtverzorging -gebitscontrole nagels- voetzolen etc.)
-het werken (elke dag trainen; overslaan is een verkeerde luxe, die je jezelf en je hond toekent. Maar houd het spel kort maar krachtig; liever 5x1 min. dan 1xlO min)


Om de juiste wisselwerking van deze punten te bereiken moet men zeker voldoen aan een viertal absolute voorwaarde. Deze absolute voorwaarde zijn:
1 ) Contact met de hond vanuit een respect van de hond voor de geleider

Dit is te bereiken door 
2) Juiste timing en dosering gedurende trainingen
3) Het brengen van ontspanning, onder andere d.m.v. driftbevrediging

En om een optimaal beeld van werklust te krijgen moet men ↓ 
4) De hond in de juiste drift kunnen brengen

De eerste absolute voorwaarde die ik beschrijf om een optimale geleider te worden van een hond is het bereiken van het juiste contact. In de hele africhting is er geen belangrijkere factor te noemen dan de omgang van baas naar hond en andersom. Vanuit het contact van de baas naar hond en hond naar baas wordt africhting geboren. Zonder het gevoel voor contact was en is africhting niet mogelijk. Het contact met de hond moet gebaseerd zijn op basis van Respect van de hond voor de geleider. Dit is een absolute voorwaarde om de hond 100% naar ons hand te kunnen zetten. In onze "mensenmaatschappij" is het niet anders. Alleen van leiders (lees: ouders etc) met een groot respect worden zonder protest hun verlangde uitgevoerd. Het snel en correct uitvoeren van commando's, zonder enige vorm van protest, is wat wij ook van onze honden in de africhting verlangen. Respect van een hond heb je als hij duidelijk in zijn ogen de tweede in rangorde is t.o.v. jou. Respect verkrijg je door altijd absoluut consequent te zijn. Een commando dat een hond kent en hem gegeven wordt moet altijd direct in de gewenste vorm door de hond uitgevoerd worden. Een herhaald (=tweede) commando moet nooit gegeven worden als het gewenste na het eerste commando niet wordt opgevolgd. Want een herhaald commando geeft ruimte voor een vorm van "discussie /verzet" en is men daarmee dus niet consequent in de verlangde uitvoering van het commando en verliest men dus het respect. De enige juiste handeling van het niet direct opvolgen van het eerste commando is direct een correctie. Deze correctie is dan een vorm van een onaangenaam gevoel, juist hard genoeg om gelijk te bewerkstelligen wat men wil.
Over de wijze van toedienen van deze onaangename prikkel aan de hond, in welke vorm dan ook, heeft bij sommige mensen een grote weerstand. Dit zal dan echter hoofdzakelijk gebaseerd zijn op menselijke gevoelens, zonder goed inzicht van de feiten. Want het is niet anders dat de beschreven technische dwang uiteindelijk een gelukkige hond zal geven, mits deze op een correcte wijze wordt opgebouwd en de hond geschikt is voor het werk waarvoor men hem wil inzetten. De hond leert dat hij geen keuzes heeft en berust hierin. De berusten hierin is een natuurlijke gave van een hond. Een hond die wel ruimte krijgt voor "discussie /verzet" zal blijven proberen te bewerkstelligen of de uitwerking van een commando op zijn manier zal kunnen geschieden. Deze hond zal geen respect hebben voor zijn geleider, wat op zich geen rust zal geven voor hond en geleider. 

Om een optimaal geleider te worden moet men dus de eerste beschreven absolute voorwaarde, het juiste contact, bewerkstelligen. Echter is deze voorwaarde alleen te bereiken als men voldoet aan de absolute voorwaarde de kunst te verstaan voor wat betreft juiste Timing en Dosering bij het toedienen van een negatieve bekrachtiging of een correctie en bij het geven van een beloning. De timing en de dosering moeten zodanig zijn dat een negatieve bekrachtiging /correctie /beloning een situatie creëert voor de hond waarbij het voor hem absoluut duidelijk is wat wij van hem wensen. Een goede timing en dosering brengt de volgende items met zich mee:
 

Willem


-WANNEER
-MET WELKE INTENSITEIT
-HOELANG
-EEN GOEDE INTRODUCTIE VAN ELEKTRONISCHE TECHNIEKEN INDIEN MEN DAAR GEBRUIK VAN WIL GAAN MAKEN

Een juiste timing is bewerkstelligd als er voor de hond een koppeling is tussen de negatieve bekrachtiging /correctie/beloning en het gedrag van de hond waarbij de geleider een negatieve bekrachtiging /correctie /beloning toedient. Het mag duidelijk zijn dat als deze koppeling niet bewerkstelligd is, het voor de hond niet duidelijk kan worden wat de geleider nu van hem wenst. 


Voor wat betreft de juiste timing en dosering van de beloning kom ik hier zodadelijk op terug bij de beschrijving van de absolute voorwaarde "Ontspanning, onder andere d.m.v. driftbevrediging". Om de uiteenzetting overzichtelijk te houden richt ik mij nu eerst op de materie van een negatieve bekrachtiging en de correctie.
Bij de juiste timing hoort ook de juiste dosering van een negatieve bekrachtiging of een correctie. Deze dosering moet zodanig zijn dat de negatieve bekrachtiging of correctie juist gevoelig genoeg en snel "door" komt bij de hond. M.a.w. de hond moet het zodanig ervaren waarvoor het bedoeld is. Het zal geen verdere uitleg nodig hebben dat indien men niet "door" komt er nooit een juist contact met de hond kan komen. De dosering regelt men af met het materiaal dat men gebruikt. Het materiaal kan mechanisch of elektronisch zijn. Mechanische inwerking /techniek is bijvoorbeeld m.b.v. een lijn met halsketting of het met de hand de hond tot zit brengen etc. Elektronische inwerking /techniek kan bijvoorbeeld een elektronische dressuurband zijn. Echter elektronisch materiaal mag alleen gebruikt worden als eerst gebruik is gemaakt van mechanische inwerking.
Over het introduceren van elektronische hulpmiddelen zal ik later zeer uitgebreid op terug komen!!


Een goede afregeling van het mechanische materiaal zal de mogelijkheid geven voor het met precies de juiste intensiteit toedienen van een negatieve bekrachtiging of een correctie. Zo zal een halsketting niet losjes om de hals moeten zitten maar onder de kin door en vlak achter de oren langs moeten lopen. Als vuist regel zou men kunnen aanhouden dat er twee vingers tussen de halsketting en de hals geplaatst moeten kunnen worden. Indien men gebruik maakt van een halsprikketting moeten de punten scherp geslepen zijn. Is dit niet zo dan heeft het gebruik gaan maken van een halsprikketting geen enkele zin. Mechanische inwerking moet namelijk altijd op een gevoelige plaats van het lichaam plaatsvinden en een zo'n klein mogelijk oppervlakte bestrijken. Dit geeft namelijk de mogelijkheid met het uitoefenen van een zeer kleine kracht (bijvoorbeeld m.b.v. een dun lijntje) een grote druk per cm2 (bijvoorbeeld op een halsketting) te kunnen bewerkstelligen. En deze situatie alleen geeft de mogelijkheid exact met gevoel één juiste doses te kunnen toedienen en dit dan met één kleine beweging met weinig kracht. Zo zal bijvoorbeeld grote wilde halen aan een veel te grove lijn en halsketting geen gewenste timing en dosering bewerkstelligen. Dit wil echter niet zeggen dat de hond pijn moet lijden, want dit is nu juist het genen wat men met een goede afregeling van het mechanische materiaal moet voorkomen. Het is namelijk zo dat te harde inwerking op de hond, heel zwart wit gezien, twee ongewenste situaties brengen. OF het stimuleert het vermijden (angst /onderdanig gedrag) OF het stimuleert agressie /verzet t.o.v. de geleider. 

Het goed toedienen van een dosis = het juiste materiaal, de juiste toepassing van het materiaal en vooral een geleider met "het" gevoel.

Één dosis of meerdere malen een dosis zeer kort (fractie van een seconde) achter elkaar, geven de totale dosering. Het toedienen van de hoeveelheid dosissen, die dus samen één totale dosering vormen, is afhankelijk van het moment dat de hond gewenst gedrag gaat vertonen. Zodra de hond gewenst gedrag vertoont moet de dosering afgerond zijn. Men werkt perfect als één dosis de totale dosering bepaald. Echter heeft men veel dosissen nodig om tot de totale dosering te komen, dan wil dit zeggen dat de intensiteit van één dosis veel te laag is. En zoals al hiervoor beschreven, snel "doorkomen" is een voorwaarde om respect bij de hond af te dwingen. Te lang moeten toedienen van dosissen duidt op een "discussie" met de hond of men dit respect wel heeft! 

De eerste absolute voorwaarde, het juiste contact, moet men dus bereiken via de tweede absolute voorwaarde, juiste timing en dosering van een negatieve bekrachtiger of een correctie en……… van een beloning. Op dit laatste, de beloning, kom ik zoals aangegeven nu terug. De beloning maakt namelijk deel uit van de derde absolute voorwaarde die ik ga beschrijven. Deze derde absolute voorwaarde is het brengen van Ontspanning, onder andere d.m.v. driftbevrediging.
Feitelijk is het zo dat het wegvallen van het doseren van een negatieve bekrachtiger of een correctie een ontspanning voor de hond geeft. De hond leert hiermee het toekomen van een onaangenaam gevoel voor te kunnen zijn door een bepaald commando snel en correct op te volgen. Ik heb hiervoor al duidelijk gemaakt dat het een natuurlijke gave is van de hond deze ontspanning te vinden in zijn bestaan en te berusten als gelukkige hond in de verkregen technische dwang. Het is één van de in het begin van dit hoofdstuk beschreven basis leerwetten om de hond iets aan te leren.


Een andere beschreven basis leerwet om de hond iets aan te leren ging over het toedienen van beloning voor gewenst gedrag. Nu kent ook het geven van beloning een juiste timing en dosering. De timing moet zodanig zijn dat de hond deze vorm van ontspanning ervaart als een resultaat van het, door ons gewenste, gedrag dat deze is gaan vertonen. Het moment van beloning zal dus kort na het moment zijn dat de dosering van een negatieve bekrachtiger of correctie is beëindigd. Nu is het zo dat dit belonen waar we nu over spreken gelijk staat aan het geven van driftbevrediging. Het meest praktische vindt ik bij het appèl het geven van buitdriftbevrediging m.b.v. een balletje, maar daarnaast is bij het appèl ook te werken d.m.v. het geven van voedsel of een positief geconditioneerd akoestisch signaal. Het toedienen van een positief geconditioneerd akoestisch signaal kan met een zeer goede timing! Bij het manwerk is in de regel het "winnen" van de mouw de buitdriftbevrediging.
 

Miram


Het brengen van ontspanning, onder andere d.m.v. driftbevrediging, was de derde absolute voorwaarde waaraan men moest voldoen om een optimaal geleider te kunnen worden. Echter om driftbevrediging te kunne geven zal er eerst drift moeten zijn! Dit brengt ons bij de vierde absolute voorwaarde om een optimaal geleider te kunnen worden. Men zal dus de hond eerst in de juiste drift moeten kunnen brengen. Het belang dat een hond wordt opgebouwd in zijn africhting met gebruikmaking van zijn natuurlijke eigenschappen -de driften- heb ik in het begin van dit hoofdstuk al uitgebreid uiteen gezet. De belangrijke aandachtspunten hierbij zijn aangegeven.


De wijze waarop men de hond bij de verschillende africhtingsonderdelen in de juiste drift kan brengen zal worden beschreven bij de hoofdstukken speuren, appèl en manwerk. Het zal ondertussen duidelijk zijn dat voedsel, een balletje en de pakwerker een belangrijke rol als activeringsprikkel hebben.
Bij het meester zijn van een hond in de juiste drift te kunnen brengen hoort ook het meester zijn van een hond in drift te houden! Bij de uiteenzetting van de basis leerwetten van de hond heb ik reeds vermeld dat met onvoorspelbare/variabele beloning van een bepaald gedrag, de bereidheid om dit gedrag te tonen het grootst wordt. In literatuur noemt men dit vaak "Varaible Reinforcement" wat gelijk staat voor "variabel belonen". De "verwachtingstijd" tot driftbevrediging moet dus langzaam steeds verder opgevoerd worden. De "verwachtingstijd" is hier dus niets anders dan dat de hond "in drift" blijft. Het behoeft geen verdere uitleg dat het uiteindelijk zo moet zijn, de hond gedurende de uitwerking van alle oefeningen op een evenement "in drift" is. Dit kan men bereiken door gedurende trainingen steeds spaarzamer om te gaan met het geven van driftbevrediging (lees: voedsel op het spoor bij het speuren, voedsel/balletje krijgen bij het appèl, "winnen" van de mouw bij het manwerk etc etc). Echter bij de opbouw van onvoorspelbare /variabele driftbevrediging moet de link tussen gedrag en de driftbevrediging ten alle tijden blijven bestaan. Doet men dit niet dan zal het "in drift " blijven verloren gaan.


Aan de andere kant heb ik al gewezen op het feit dat de hond niet te hoog in drift mag worden gebracht. Een hond te hoog in drift is niets te leren en niet onder controle te houden. Een goede regel om te onthouden voor wat betreft te veel drift bij de hond is deze. Is de hond te hoog in drift, geef hem het commando AF en elimineer alle prikkel elementen in zijn omgeving. Laat de hond eerst volledig tot rust komen. Alleen vanuit deze volledige rust is een correcte start van de training dan weer mogelijk.

Willem de Jong


Urs Ochsenbein en zijn uiteenzetting over het verwerven van leiderschap

In het vorige blok heb ik het belang beschreven van de vier absolute voorwaarde waaraan men zeker moet voldoen om een optimaal geleider te worden. Omdat het zo belangrijk is dat men deze materie doorgrond volgt nu een zeer vrije vertaling uit het boek van Urs Ochsenbein, Der neue Weg der Hundeausbildung-Blz 107 t/m 113. Zijn uiteenzetting over opvoeding/africhting sluit volledig aan bij het vorige blok en kan een nog heldere kijk op deze materie geven.


Urs Ochsenbein:
Stimulerende/ondersteunende inwerkingen en remmende/tegenwerkende inwerkingen, m.a.w. beloning, straf en "foutieve uitvoering herstelling".



*Een korte verklaring van de begrippen straf, "foutieve uitvoering herstelling" en beloning
Een specifiek menselijk begrip die wij ook gebruiken als we spreken over de opvoeding van- of de sport met de hond is straf. Het is echter een begrip dat bij het ander soort wezen -de hond- slecht past, maar het is tevens zo dat het praktisch onmogelijk is een andere benaming te gebruiken. Hierbij is dan wel van belang dat we het begrip straf niet vermenselijken, m.a.w. straf heeft in dit geval een andere definitie. Onder straf verstaan we nu de inwerking op de hond die we alleen toepassen als de hond iets doet dat in alle gevallen niet getolereerd wordt. Bijvoorbeeld op het moment dat de hond een stuk worst wilt gaan pakken van de eettafel.

De "foutieve uitvoering herstelling" van de hond houd in: Indien er sprake zou zijn van andere omstandigheden /situatie een juiste uitgevoerde handling door de hond, die echter op het gegeven moment niet gewenst is en er daarom ook zodanig op de hond ingewerkt wordt dat deze op dat moment het wel gewenste gedrag gaat vertonen. Bijvoorbeeld als de hond na het voorkomen gelijk aan de voet wilt gaan omdat deze weet dat dit commando zal gaan volgen (stereotype), wordt de fout hersteld en wel zodanig dat deze recht voor de geleider blijft zitten. Het zal duidelijk zijn dat "foutieve uitvoering herstelling" niet het temperament van de hond moet gaan breken en er dus vakkundig gehandeld moet worden.

Beloning tenslotte betekent een inwerking op de hond die een bepaald gedrag van de hond stimuleert /ondersteunt en als gewenst gedrag herkent wordt. Ook beloning is niet eenvoudig bij zijn toepassing!

Bij de nu volgende behandeling van de begrippen beloning, straf en "foutieve uitvoering herstelling" wordt gedeeltelijk gebruik gemaakt van de bevindingen en uitspraken van de Amerikaanse dieren psycholoog Daniel Tortora.


*Belonen 
Een beloning van de hond op het onjuiste moment brengt de hond in verwarring, een beloning op het juiste moment maakt de hond zeker. Met het op het juiste moment belonen van de hond wilt het nogal eens verkeerd gaan. Het is dan ook verstandig enige regels hier omtrent te hanteren.


Ronald


Men behoort bij het belonen zich er van bewust te zijn dat men beloond en wat men er mee wilt bereiken. Wanneer en geleider aan de lijn van de hond trekt omdat deze niet dicht genoeg tegen hem aan zit en deze daarna gelijk uitbundig over de kop aait, is de geleider van zijn doen en laten niet bewust. De hond heeft niets ondernomen wat het belonen waard is. De hond ervaart echter dat hij voor het aan de voet getrokken worden flink beloond wordt. Wat moet de hond nu daarvan denken? Het moet hem verwarren zo kort na een straf, beloond te worden. De geleider had in deze situatie, zoals hij in alle situaties behoord te doen, zijn eigen gedrag en het gedrag van de hond moeten observeren! Pas daarna had de geleider moeten concluderen; of, wanneer en hoe belonen zal. Trekt men de hond met de lijn naar zich toe, zonder daarbij vervolgens op een of andere wijze op de hond verder in te werken, beloond men de hond weliswaar niet maar treedt men op een redelijke correcte wijze corrigerend op.

 

De corrigerende maatregel kwam in de ogen van de hond uit het niets en hij zit correct aan de voet. De hond ervaart de corrigerende maatregel als niet afkomstig zijnde van de geleider. De hond is misschien verbijsterd maar niet verward. Gaat de geleider echter van het standpunt uit dat de hond beloond moet worden voor het correct aan de voet gaan zitten, dan behoort deze geleider dit alles vooraf te plannen. Hij kan bijvoorbeeld een grote stap naar rechts maken, wat de hond er waarschijnlijk toe brengt hem te volgen en correct aan de voet gaan zitten. nu is de beloning dus zinvol. nu is er voor de hond een koppeling tussen goed aan de voet gaan zitten en de beloning ervoor.
Aangezien iedere handeling van ons die de hond als plezierig ervaart voor de hond een beloning is, belonen wij onze hond vaak zonder het zelf te weten en vaak voor dingen die we eigenlijk niet willen stimuleren. Blaft de hond bijvoorbeeld in de auto van vreugde, terwijl we de plaats bereiken van de dagelijkse wandeling en laten we de hond gelijk na het parkeren uit de auto springen omdat we blij zijn dan van het geblaf af te zijn, belonen we de hond voor het blaffen. Beter zou zijn de parkeerplaats één of twee maal voorbij te rijden en de hond noch een tijdje in de wagen te laten. Bij het openen van de deur had de hond eerst correct in de auto moeten blijven zitten. Dit alles had het blaffen niet beloond /gestimuleerd. We moeten dus opletten of dat wat we doen, een beloning is voor de hond. En of we alleen belonen nadat we iets van de hond verlangt hebben wat het belonen werkelijk waard is.

De beloning zal de handeling, die men wil belonen, direct moeten volgen. Hoe langer de tijd tussen de handeling en de beloning is, des te meer schiet de beloning zijn doel voorbij en gaar misschien een handeling versterken die eerder bestraft dient te worden. Tortora heeft hiervan een mooi voorbeeld: De hond brengt ons de krant en springt gelijk bij ons op schoot. We denken de hond te belonen voor het brengen van de krant, echter belonen we voor het omhoog springen.

Daar beloning gedrag versterkt zullen we de beloning moeten koppelen aan het gewenste gedrag. Om bij het vorige voorbeeld te blijven: Laat de hond bij aankomst op de parkeerplaats, ondanks hij verwachtingsvol is, rustig zitten. Zodra hij rustig zit, snel de deur openen en de hond uitnodigen er uit te komen. Dit is een perfect geplaatste beloning. De hond koppelt: rustig zitten in de auto met snel geopend worden van de deur en het vrij geven. In het bijzonder bij temperament volle honden is een rustig gedrag alleen te bereiken met exacte planning van de beloning. Het werkt beter dan grof en op het onjuiste moment straffen van de hond.

Beloning voor een en het zelfde gedrag zou zo mogelijk gevarieerd moeten worden. Dit is niet zo eenvoudig en bij het vorige voorbeeld met de hond in de auto schijnt het onmogelijk. Zouden we de braaf in de auto zittende hond iets lekkers geven om de beloning te variëren, dan zou dit het uit de auto gaan alleen maar tegenwerken. Bij een ander voorbeeld; de oefening voorroepen en aan de voet gaan, kan men d.m.v. de stem, door de hond aan te halen of door de hond iets lekkers te geven deze belonen. Al deze beloningen te samen geven zou te veel zijn. We moeten met beloningen spaarzaam omgaan. Een andere beloning in dit voorbeeld zou kunnen zijn de hond, nadat hij aan de voet gekomen is, vrij te geven. Gedachteloos belonen kan ons, zoals we gezien hebben, veel problemen geven. Het is ook een slechte zaak wanneer een geleider zijn hond na het straffen of het toepassen van een "foutieve uitvoering herstelling", direct daarop volgend beloont. Hiervan hebben we een voorbeeld gezien. Vaak steekt er pure verlegenheid van de geleider achter het feit dat, nadat een oefening is mis gegaan en terwijl deze de geleider de instructeur uitlegt waarom het is mis gegaan, deze ondertussen over de kop van de hond krabbelt. Een goede instructeur zou de geleider de onzinnigheid van het krabbelen op de kop van de hond uitleggen!



Samengevat betreffende de beloning. Beloning stimuleert de hond dus bepaald gedrag te vertonen. Wij behoren ervoor te zorgen dat het om een gewenst gedrag handelt. Wij moeten spaarzaam zijn met beloningen en ons erop concentreren dat wij de beloning op het juiste moment aan de hond geven.

*Straffen 
Straf moet in tegenstelling tot de beloning, de hond van een bepaald gedrag afhouden. De wijze waarop een geleider straft, verraad zijn mentaliteit. Wie het uit ergernis doet is nog te verdedigen; hij doet het gewoon op een onbeheerst ogenblik. Diegene echter die straft omdat hij de hond wil straffen omdat deze faalde of omdat hij zich beledigd of geblameerd voelt door zijn hond, zou geen hond mogen bezitten. Het ergste zijn de mensen die met genot een hond straffen omdat het er zogenaamd er bij hoort. Ook geleiders die straffen uit angst dat hun hond sterker zal worden als zij zelf, zijn nog sympathiek nog verstandig handelend. De zo-even genoemde motieven om een hond te straffen geven geen goede indruk van de geleider, maar als we eerlijk zijn moeten we toegeven, dat soortgelijke gevoelens onze reacties naar de hond toe bepalen. Het heeft dus geen enkele zin tegen een dergelijke geleider over moraal te spreken. Willen we tenminste de hond van een dergelijke geleider helpen dan zullen we moeten uitleggen waarom dergelijke slecht te motiveren straffen geen succes zullen brengen. Men zal met straf om moeten gaan als met medicijnen (Wederom een uitspraak van Tortora).

 

Ook een medicijn wordt niet uit erger of woede gegeven maar met als doel een onbevredigende toestand te verbeteren. En zoals een medicament het beste werkt wanneer het zo snel als mogelijk en met de juiste dosering wordt ingenomen, zo is het ook met straf. De overeenkomst gaat zelfs nog verder. Wordt het gebruiksvoorschrift niet juist opgevolgd, kan een medicijn vervelende bijwerkingen hebben. Weet men niet hoe met straf om te gaan, gebeurt precies het zelfde. Men heeft het meeste succes, wanneer men wel overwogen en vrij van enig "afreageren" straft of een "foutieve uitvoering herstelling" toepast. Om hiervoor enige richtlijnen te geven gebruiken we wederom uitspraken van Tortora.

De straf moet onmiddellijk naar het begin van het ongewenste gedrag plaats vinden, zo mogelijk al bij getoonde intentie gedrag van de hond. Echter bestaat ieder voorval uit meerdere delen. Bijvoorbeeld: Een hond neemt een aanloop, springt op de tafel, neemt vlees op, springt ven de tafel en begint het vlees op te eten. Nu gaan bestraffen heeft geen enkele zin. Het gehele gebeuren zal zich bij de volgende gelegenheid opnieuw afspelen, als we niet bij het eerste deel, bij het nemen van de aanloop dus, de hond een onaangename ervaring op laten doen.

Straf moet, wederom overeenkomstig met een medicijn, bij zijn eerste toepassing met een voldoende dosis worden toegepast. Is de eerste inwerking onvoldoende om het gewenste gedrag van de hond in het vervolg te voorkomen, dan treedt er een gewenningsproces in werking en wordt de kans om ons doel te bere­ken steeds kleiner, zelfs wanneer we met sterkere doseringen gaan werken. Het tegendeel van wat we willen bereiken kan gaan optreden: een bijna niet meer te corrigeren ongewenst gewoonte gedrag. We moeten dan een nieuwe trainingsmethode gaan zoeken. Of deze dan te vinden zijn is de vraag. Het is werkelijk beter gelijk bij de eerste toediening van de straf voor het ongewenste gedrag een flinke dosering te gebruiken in plaats van te voorzichtig met de toediening van de straf te beginnen en pas bij de tiende toediening flink en hard van leer te gaan zonder nog resultaten hiermee te kunnen boeken. Een te zwakke dosering van straf is al vaak een reden geweest dat men een hond tenslotte maar liet inslapen, terwijl het niet eens handelde om echt sterke honden.


Natuurlijk moet heel hard straffen een uitzondering blijven. Ze zijn dan ook alleen te tolereren, als ze toegediend worden zonder wraakachtige gedachte, goed overwogen en als er geen andere opvoedkundige alternatieve meer voor handen zijn. Als het mogelijk is moeten we de straf altijd koppelen aan het gedrag van de hond. zo zal in het voorbeeld van de hond die bij aankomst met de auto bij de uitlaatplaats gelijk uit de auto springt een "foei" weinig indruk maken. maar de deur gedoseerd tegen de kop van de hond zal meer respect bij de hond oproepen voor de betreffende deur. Ook wanneer dan iemand anders met de hond in de auto op stap gaat zal de hond uit respect voor de deur zich gedragen.

Als het lukt, de hond een straf te laten toekomen die in de ogen van de hond uit het niets te voorschijn komt, zal deze straf beduidend beter werken dan als de straf duidelijk van ons afkomstig is. Voorbeeld: Wanneer we de hond betrappen bij het stelen van een koek, dan zal deze van een scheldpartij misschien zich terugtrekken maar daarvan niet echt onder de indruk zijn. Laten we echter, zonder dat de hond ons opmerkt, een broodplank of iets dergelijk hard op de grond vallen, dan zal de hond zich snel uit de voeten maken en zal ons verwart aankijken als we net doen niets gehoord of gezien te hebben. 

Men moet er op letten dat de straf alleen maar gekoppeld wordt met het ongewenste gedrag (zoals beloning met het gewenste gedrag gekoppeld dient te worden). Hier geldt dus ook nadenken en goed plannen.

De aard van de straf moet regelmatig veranderen, zodat een oplettende hond niet en straf al ziet aankomen of er aan gaat gewennen.
Wordt een hond weloverwogen bestraft dan moet men uiteraard niet met medelijden of eigen onzekerheid de hond na het straffen gaan toespreken, al is het dan misschien op strenge toon, op een haast verontschuldigende wijze als zou men het met kinderen te doen hebben. Het zal door de hond ervaren worden als zijnde een beloning. Het is belangrijk een pauze in te lassen, terwijl we geen aandacht aan de hond besteden. We doen er echter goed aan daarna iets met de hond te ondernemen, zodat we de gelegenheid krijgen deze te belonen. We voorkomen daarmee dat de hond angst voor ons krijgt, m.a.w. dat we het contact met de hond verliezen. Dit mag nooit gebeuren! Contact is namelijk het belangrijkste component ven onze verstandhouding met de hond waarvan we niets mogen verliezen.

*"foutieve uitvoering herstelling"
Voor deze gelden in grote mate dezelfde regels als voor het straffen en staan ook in de zelfde verhouding als tot de beloning. 

Voor zover Urs Ochsenbien.


De geestelijke belastbaarheid van de geleider

Wat ook van invloed is op de omgang geleider /hond, en dus de resultaten, is de geestelijk belastbaarheid van de geleider! Deze is natuurlijk afhankelijk van veel factoren. De factor gezondheid is natuurlijk belangrijk. Maar de geestelijke belastbaarheid van de geleider is ook afhankelijk van de manier waarop de geleider zich emotioneel beweegt buiten het honden gebeuren om. Harmonie in het dagelijkse leven speelt een grote rol hierin en zal haar vruchten afwerpen in de africhting. Irritaties en frustraties buiten de hondensport hebben en negatieve uitwerking in deze. Dat je deze kunt oplopen binnen de hondensport zelf is ook mogelijk. Gebeurt dit te vaak, zodat het dagelijkse leven buiten de sport om daar veel hinder van ondervindt, dan is het te overwegen waard om je aan te sluiten bij een dam- of schaakvereniging. 
Het is gezond wanneer de mens zijn beperking kent of leert kennen. De opzet van de hondensport is niet om teleurgesteld door het leven te gaan. Dit geldt eveneens voor de hond in alle opzichten. 


Stress (=spanning) bij het aanleren /uitvoeren van oefeningende hond onder grote druk zetten
Stress is een item waarvan het zeer belangrijk is er op een juiste manier mee om te gaan. Vandaar dat ik dit item apart beschrijf.
Bij het aanleren /uitvoeren van oefeningen kunnen stress situaties ontstaan bij de hond. Dit zal o.a. het geval zijn als de geleider "te hard" met zijn hond omgaat, m.a.w. hij de belastbaarheid van de hond verkeerd inschat. Maar ook als een zeer temperamentvolle hond afgeremd moet worden, wat bijvoorbeeld noodzakelijk kan zijn bij het speuren, kan stress ontstaan. Dit afremmen veroorzaakt dan een situatie waarbij de hond zijn drift niet volledig zijn gang kan laten gaan en dus zich gespannen kan gaan gedragen. Een niet goede communicatie tussen geleider en hond zal zeker stress met zich meebrengen. 

Aanwezigheid van stress toont de hond tijdens maar ook vooral na het uitvoeren van een commando. 
Stress bij de hond kan men o.a. herkennen: 
-door de lage houding van de hond -het tongelen door de hond
-pootheffen -het trillen
-het gapen -krabben
-uitschudden -snuffelen aan de grond in zijn omgeving

Het is in de praktijk haast onmogelijk de hond volledig stressvrij op te bouwen. Zeker niet een temperament volle dominante hond! Een "goede" hond moet echter een periode van stress kunnen verdragen. Het is echter belangrijk dat men de aanwezigheid van stress, ook als deze minder duidelijk aanwezig is, herkent. Men behoort namelijk uiteindelijk de situatie te creëren dat de hond de oefeningen stressvrij uitvoert. De hond behoord dus vrij te zijn van de hiervoor genoemde stressgedragingen, terwijl deze precies doet wat we van hem verlangen. Een goede geleider kan dus alle spanningen bij zijn hond uiteindelijk weg laten vloeien. Kan een geleider aan deze voorwaarde voldoen dan hoeft men niet moeilijk te doen over de aanwezigheid van stress gedurende de opbouw. Stress kan dan zelfs een gezonde aanwezigheid zijn. Ook bij ons mensen kan een gezonde dosis stress in het dagelijks leven leiden tot hogere prestaties en we uiteindelijk ook steviger in onze schoenen komen te staan. Voor de hond geldt dit niet anders. Echter een gedegen inzicht /inschatting in deze materie van de kant van de geleider is een vereiste. Hoge stress, zeker over een langere periode, is onnodig en dus nooit goed te keuren. Het trainen met honden kent voorwaarde waar iedereen aan dient te voldoen. Voldoet men niet aan deze voorwaarde dan houdt men zich bezig met dierenmishandeling.

De voorwaarden bij het werken met honden zijn:
*De hond moet gezond zijn
*De bouw van de hond moet geschikt zijn voor het werk waarvoor men deze wil inzetten
*De hond moet genetisch geestelijk goed in elkaar zitten
*De eis van de perfectie en het niveau die men afdwingt bij de hond v.w.b. zijn werken moet altijd in verhouding staan tot zijn bouw en zijn genetische geestelijke samenstelling 


Wat betreft het uitoefenen van grotere druk op de hond het volgende.
Zoals al hiervoor gezegd, bij de opbouw van de hond, zeker als het hier om een temperament vol dominant baasje gaat, ontkomt men er haast niet aan dat er bij sommige oefeningen druk op de hond uitgeoefend moet worden. Op zich dus geen probleem als men dit weet te doseren en de hond op een bepaald moment weer uit de stress weet te halen. Men moet er echter wel degelijk rekening mee houden dat deze druk niet alleen bij de betreffende oefening haar negatieve kanten openbaart, maar dat dit ook door werkt bij andere oefeningen. Dit geldt dan in het bijzonder bij oefeningen waar in mentaal opzicht veel van de hond wordt geëist. Zo zal bij een IPO/VZH hond die bij het speuren of een appèloefe­ning (bijvoorbeeld bij het dwangapporterend) flink onder druk moet worden gezet, de gevolgen van deze druk zich ook openbaren bij de opbouw van het manwerk. M.a.w. men mag dan bij het IPO/VZH -programma te maken hebben met drie verschillende afdelingen, trainingstechnisch zijn deze afdelingen één geheel. Ook gebeurtenissen buiten de training (thuis dus) waarbij druk op de hond uitgeoefend wordt, kunnen zich wreken gedurende de trainingen.


Het is belangrijk met dit feit rekening te houden gedurende de opbouw van de hond. Om te voorkomen dat men de beoogde winst, die te behalen zou zijn door bij een oefening druk te gaan gebruiken, moet gaan inleveren bij andere oefeningen, behoord men te trachten deze "kritieke oefeningen" van elkaar te scheiden. Zo kan men bijvoorbeeld oefening(en) uit het appèl-
programma waarbij grote druk op de hond nodig is, beter op een andere dag trainen dan op de dag dat men ook met de opbouw van het manwerk wil gaan bezighouden. Pas als "de druk van de ketel is" kan men het geheel weer samen combineren op dezelfde dag.
Door op deze manier te werk te gaan zal men het grootste rendement behalen uit de trainingen. "Kritische" oefeningen (of gebeurtenissen) zullen dan geen of minder een belemmering vormen voor een positieve ontwikkeling in de opbouw van de hond. 


Het gebruik van elektronische hulpmiddelen
*Het gebruik van elektronische hulpmiddelen en de weerstand hiertegen

Voor velen is het gebruik van hulpmiddelen die een hond een pijnprikkel toedienen een taboe. Voor sommige begint dit taboe al bij het gebruik van een prikhalsband of zelfs nog eerder, bij andere bij het gebruik van stroom doserende hulpmiddelen. Echter zal iedereen die de kennis en de inzicht heeft in de ontstane problematiek bij sterk in karakter doorgegroeide honden tot de conclusie komen dat elektronische dressuurbanden (Teletak/Innotek) of het gebruik van een zogenaamde stroommouw de trainingen met deze honden juist humaan zullen houden. In plaats van noodzakelijke steeds ruwer en harder wordende correcties waar de hond steeds verder doorheen groeit, kunnen met elektronische hulpmiddelen met de juiste dosering doorkomende, korte (een fractie van een seconde = een impuls) correcties toegediend worden en wel met een perfecte timing en onafhankelijk van de afstand tot de hond. De winst voor het humane zit hem dan vooral in het feit dat, indien bij de opbouw van dit type jonge hond gebruik wordt gemaakt van een elektronische dressuurband, men harde corrigerende maatregelen zelfs voor kan blijven.


Op een seminar over het gebruik van elektronische dressuurbanden, waar de weerstand tegen deze banden te spraken kwam, heb ik de volgende test gezien. Men deed een aantal personen een elektrische dressuurband om de pols en zei dat deze afgesteld stond op het laagste stroomniveau, terwijl in werkelijkheid het apparaat uit stond. Men liet voorkomen dat het apparaat kort geactiveerd werd door een snelle druk op de knop. Menig persoon die de schrik/angst voor de elektrische dressuurband "tussen de oren" had beweerde toen stroom gevoeld te hebben! Het geeft aan dat de angst voor het onbekende erg groot kan zijn ondanks dat er op dat moment niets is om bang voor te zijn. Er worden dan dus conclusies/gevoelens geuit over een item, in dit geval de elektrische dressuurband, die niet overeen komen met de feiten. De werkelijkheid is dat de uitwerking van stroom afhankelijk is van de wijze van toepassing en de hoogte van de stroomsterkte. Zo kan stroom de dood brengen (ter dood veroordeling m.b.v. elektrische stoel, bliksem inslag etc), iemand het leven terug geven (stroomstoten bij hartstilstand) of als therapie dienen (massage voor spieren).

 

Het bezwaar van de tegenstanders voor wat betreft elektronische dressuurbanden wordt gedragen door niet op feite beruste argumenten. Dit omdat deze tegenstanders er van uit gaan dat de honden veel en hoge elektrische stroomstoten worden toegediend. In hun ogen zouden de stroomstoten vergelijkbaar zijn als met iemand die continue aan een hoog ampère (=stroomsterkte) schrikdraad gebonden zal worden. Dit is absolute onzin. Bij een correcte introductie van een elektrische dressuurband in de opbouw van een hond wordt gewerkt bij een zeer laag niveau ampère. De niveau’s zijn zo laag dat indien men de elektrische dressuurband op je eigen arm bindt en de stroom toedient, men alleen een lichte tinteling in de armspieren waarneemt. De schrik/angst van deze mensen zit "tussen de oren" omdat toedienen van een elektrische stroom gelijk geassocieerd wordt met pijn. Volgens de Amerikaanse fabrikanten van deze elektronische hulpmiddelen is gebruik van hun materiaal bij correct gebruik niet schadelijk voor de gezondheid van de hond en is, bij mij weten, dit ook in de praktijk altijd zo gebleken. Bedenk dat grote Amerikaanse (lees USA) bedrijven als bijvoorbeeld Innotek, zeer grondig onderzoek verrichten voordat een dergelijke uitspraak wordt gedaan. Wie een beetje thuis is in de Amerikaanse wetgeving met zijn mogelijk zeer hoge claims voor schadevergoeding begrijpt waarom.

 

De faculteit Dierenkunde van de Universiteit Utrecht in Nederland heeft een onderzoek gedaan naar de effecten van de elektronische dressuurband op het welzijn van honden. Wie de resultaten en belangrijkste conclusies zoals ze gepubliceerd zijn in januari 2000 door de opdrachtgever van het onderzoek objectief leest, moet toch enkele kritische kanttekeningen bij het verhaal zetten. Het feit dat de Bond tot Bescherming van Honden de opdrachtgever is geeft al een gegronde reden de objectiviteit van het onderzoek ter discussie te stellen. Ik draag de Bond tot Bescherming van Honden een warm hart toe en meen met recht dat ze zeer nuttig werk doen. Echter hier proef men toch iets van dat er bij dit onderzoek eerst een conclusie/mening is beschreven, waar daarna d.m.v. een onderzoek naar toe is gewerkt. Een bekend verschijnsel bij onderzoeken waar opdrachtgevers belangen hebben bij de inhoud van het eindrapport. Er zijn conclusies getrokken uit onderzoek dat niet het draagvlak heeft wetenschappelijk te mogen zijn.

 

Een goed wetenschappelijk onderzoek meet alle parameters die nodig zijn om een objectief oordeel te kunnen velgen. In het rapport is dat niet terug te vinden. Nergens lees men iets over het gebruik en zijn effecten van elektronische dressuurbanden bij verschillende trainingsmethodieken om een bepaalde oefening aan te leren. Er wordt niet ingegaan op de verschillende type elektrische stroomgevende dressuurbanden die er zijn. Wat de effecten zijn bij de verschillende instellingen die mogelijk zijn met dergelijke apparaten. Geen individuele diepgaande genetische inhoudelijk karakter eigenschappen van de hond zijn bij de metingen vermeld. Het type geleider naast de hond en zijn manier van omgang met de hond buiten de trainingen zijn niet terug te vinden. Kortom, het rapport mist metingen van parameters die noodzakelijk zijn om correcte objectieve conclusies te kunnen trekken. Daarmee kan men tevens vraagtekens gaan zetten met de deskundigheid van de onderzoekers voor wat betreft africhting van een hond, in het bijzonder voor wat betreft KNPV, IPO, VH, RINGSPORT en dergelijke. De wil van de Bond tot Bescherming van Honden om naar aanleiding van het hiervoor genoemde onderzoek het gebruik van de elektronische dressuurband bij wet te verbieden, is kortzichtig en niet gebaseerd op kennis van zaken.

Het is echter ook zonder meer een feit, dat bij onoordeelkundig gebruik van elektronische hulpmiddelen wel degelijk de situatie kan ontstaan dat men kan spreken over dierenmishandeling of medisch gevaar. Van dierenmishandeling is o.a. spraken als de hond niet weet wat hij fout doet en voor hem niet duidelijk is wat voor gedrag we wel van hem wensen. M.a.w., en dit geldt voor alle correcties in het algemeen, de africhter behoort er van overtuigt te zijn dat de hond weet wat van hem verlangt wordt maar de hond kiest voor een confrontatie met zijn geleider en, na de correctie van zijn geleider, terug kan vallen in gewenst gedrag en hiervoor beloond kan worden. Verder mag men spreken van dierenleed als onnodig gebruik wordt gemaakt van hoog ingestelde stroomsterkte niveaus. Het leed voor het dier zit hem dan in het feit dat te harde correcties, dus ook m.b.v. een elektrische dressuurband, vaak alleen maar agressie opwekt bij de hond en daarmee het doel van de correctie, namelijk gehoorzaamheid, niet bereikt wordt. Men kan hiermee in de spiraal komen van nog hardere correcties - nog meer agressie bij de hond - en geen gewenst resultaat! Gebruik van een elektronische dressuurband met een hoog ingestelde stroomsterkte niveau is dus onnodig, foutief, ongewenst en zal niet het gewenste resultaat op langere termijn brengen. Een andere absolute voorwaarde om dierenleed te voorkomen heeft betrekking op de geschiktheid van de hond voor het gene wat men voor ogen heeft met de hond te gaan doen. Of het nu bijvoorbeeld om de behendigheidshondensport, G&G werk, jagerssport, hondenverdedigingssport, KNPV, ringsport of professionele inzet bij politie of bewaking gaat , de hond zal zowel wat betreft zijn bouw en gezondheid als zijn geestelijke gesteldheid hiervoor geschikt moeten zijn. Zo zal temperament en geestelijke stabiliteit ruimschoots aanwezig moeten zijn. Voldoet de hond aan de eisen van deze geschiktheidtoetsing dan is er geen bezwaar dat elektronische hulpmiddelen deel uit maken van de trainingsmethodieken mits de juiste introductie en verder correct gebruik van deze middelen plaats vindt. Over de vereiste juiste introductie en verder correct gebruik kom ik verderop in dit hoofdstuk terug.


Medisch gezien kunnen er bij het gebruik van elektronische hulpmiddelen bijvoorbeeld problemen ontstaan indien de hond last heeft van hartritmische stoornissen of een vallende ziekte. De stroom zal niet in een dergelijke geval hartritmische stoornissen of een aanval van onbewustzijn veroorzaken. Echter bij een toevallige aanwezigheid van de symptomen van deze kwalen en het op dat moment gebruikmaken van elektronische hulpmiddelen zouden wel grote problemen kunnen ontstaan. Nu is het uiteraard ook zo dat honden met dergelijke kwalen nooit bij hiervoor genoemde geschiktheidtoetsing geschikt kunnen worden bevonden!

In deze kynethologische uiteenzetting ben ik genoodzaakt het gebruik van elektronische hulpmiddelen op een bepaald moment te verdelen in twee praktijksituaties.
De eerste is de situatie waarbij de introductie van de elektronische dressuurband bewust al zeer vroeg in de opbouw van de hond plaats vindt. Er vindt dan een introductie plaats zonder dat er spraken is van een in karakter te ver "doorgegroeide" hond. Men maakt dan bij het appèl en bij het manwerk gebruik van een elektronische dressuurband voor het toedienen van een negatieve bekrachtiger als wel voor het geven van een correctie. Correct gebruik van elektronische hulpmiddelen bij het speuren kent veel overeenkomsten. Echter omdat ik bij het speuren geen ervaring heb met het gebruik van elektronische hulpmiddelen zal ik hierover geen uiteenzetting geven. De eerste hiervoor gegeven praktijksituatie wordt nog door weinig mensen toegepast. Het is ook niet zondermeer door iedereen in de praktijk te brengen. Als men niet het principe van timing, dosering en het brengen van ontspanning met behulp van een halsketting en lijntje perfect in de praktijk kan brengen, kent voor deze personen de introductie van de elektrische dressuurband op dit tijdstip een absoluut verbod. Ervaring en "feeling" zijn hier een vereiste!


De tweede beschreven praktijksituatie zal de situatie zijn van een noodzakelijke introductie van een elektronische hulpmiddel omdat de hond bij het manwerk te ver "doorgegroeid" is in karakter. M.a.w. de controle is verloren gegaan. Dit is voor de meeste geleiders de situatie dat men besluit over te gaan tot het gebruik van elektronische hulpmiddelen. In dit geval wil men primair het probleem bij het manwerk oplossen n zal de elektrische dressuurband alleen gebruikt worden voor het toedienen van een correctie.
Echter de wijze van introductie van een elektronische dressuurband bij trainingen met de hond is voor beide praktijksituaties exact hetzelfde en behoort plaats te vinden bij appèl oefeningen, al dan niet bij het manwerk!
Er zijn verschillende elektronische hulpmiddelen voor de dressuur in de handel. Zo heb je elektronische dressuurbanden, zogenaamde stroommouwen, elektronische vibratiebanden en dressuurbanden die op een bepaald moment een onaangename geur kunnen afscheiden. In deze uiteenzetting ga ik uit van het gebruik van een elektronische dressuurband omdat dit gewoonweg de enigste beste keus is t.o.v. een stroommouw. Waarom dit zo is zal verderop in dit verhaal over het gebruik van elektronische hulpmiddelen duidelijk worden. Het gebruik van elektronische vibratiebaden of dressuurbanden die op een bepaald moment een onaangename geur af kunnen scheiden zal mogelijk het gebruik van een elektronische dressuurband kunnen benaderen. Echter heb ik met vibratiebanden en "geurbanden" geen ervaring.


*Type elektronische hulpmiddelen en trainingsvoorwaarde
In dit hoofdstuk heb ik aangegeven, d.m.v. de beschrijving en onderbouwing van de vier absolute voorwaarde, waaraan men moet voldoen om een optimaal geleider te worden van een hond. Aan deze trainingsvoorwaarde moet men dus niets veranderen. Onze keus van elektronische hulpmiddelen moet dan ook zodanig zijn dat deze alleen maar een toegevoegde waarde heeft om aan de vier absolute voorwaarde te voldoen. Elektronica zal dus geen nieuwe manier van africhten brengen maar de mogelijkheid geven de manier van africhten uit te voeren met nieuwe hulpmiddelen. Elektronische hulpmiddelen moeten dus de mogelijkheid hebben een connectie te bewerkstelligen tussen het gebruik van deze en de geleider. Daarnaast zal er een betere timing en dosering mogelijk moeten zijn. Een goede timing onafhankelijk van afstand van wie/wat dan ook tot de hond zou ideaal zijn. Het deactiveren van een geactiveerd elektronisch hulpmiddel zou ontspanning moeten brengen. Het elektronisch hulpmiddel zou zo mogelijk bij alle disciplines (speuren, appèl en manwerk) inzetbaar moeten zijn.


Wie dit werkstuk tot nu toe goed begrepen heeft, kan zelf al tot de conclusie komen waarom het gebruik van een zogenaamde stroommouw verre van ideaal is om een goede trainingsopbouw te kunnen behouden. Immers is dit hulpmiddel alleen maar te gebruiken bij het manwerk op het moment dat de hond bijt op de mouw. Een connectie pakwerker → negatieve bekrachtiging of een correctie is haast niet te voorkomen, een connectie geleider → negatieve bekrachtiging of een correctie haast onmogelijk te creëren, in ieder geval niet correct op te bouwen. Stroommouwen zijn naar mijn mening ook niet echt gemakkelijk in gebruik, dit gezien het feit dat de pakwerker goed aarde moet maken met een ijzertje onder zijn schoenen en alles met draden aan elkaar verbonden moet blijven. Ook het feit dat alleen de pakwerker de stroom kan activeren kan een nadeel zijn in het gebruik, daar hierdoor een nodige bekwaamheid van de pakwerker wordt vereist. Kortom, het gebruik van een stroommouw kan niet beantwoorden aan de vier absolute voorwaarde waaraan men moet voldoen om een optimaal geleider te worden.


Een elektronische stroomdoserende dressuurband heeft wel de mogelijkheid een toegevoegde waarde te hebben om aan de vier absolute voorwaarde te voldoen. De elektrische stroomdoserende dressuurband geeft een perfecte mogelijkheid van timing en dosering , het geven van ontspanning en is afstand onafhankelijk. Een connectie van geactiveerde band → geleider is perfect te leggen. De elektronische stroomdoserende band is bij alle disciplines inzetbaar.
Ik heb al aangegeven dat er naast elektronische stroomdoserende dressuurbanden ook andere type elektronische dressuurbanden bestaan. Echter deze hebben hun beperkingen t.o.v. de elektronische stroomdoserende dressuurband. Dit werkstuk zal dan ook verder gericht zijn op het gebruik van een elektronische stroomdoserende dressuurband die ik nu in het vervolg zal vermelden/benoemen als de elektronische dressuurband.


*Type elektronische dressuurband
Gaat men gebruikmaken van een elektronische dressuurband dan zal men er zorg voor moeten dragen een juist type ter beschikking te hebben. Het zal geen verdere uitleg nodig hebben het niet zo mag zijn dat indien de hond een elektronische dressuurband om krijgt hij gehoorzaamt en indien deze af gedaan is de hond weet hij ongehoorzaam mag/kan zijn. Een connectie tussen een negatieve bekrachtiging of een correctie en de geleider moet er in de ogen van de hond er zijn. Maar dat de geleider voor deze connectie een elektronische dressuurband op het lichaam van de hond nodig heeft moet een absoluut geheim voor de hond blijven. Immers op evenementen zal de hond de elektronische dressuurband iet om hebben. Oudere type elektronische dressuurbanden zijn groot en zwaar en dus te opvallend voor de hond aanwezig. De nieuwste generatie elektronische dressuurbanden zijn klein (niet groter dan een lucifersdoosje) en licht van gewicht. Er zijn elektronische dressuurbanden die alleen op vrij hoog niveau stroomsterkte instelbaar zijn. Ik heb al aangegeven dat dit onnodig, zelfs ongewenst is. Er zijn elektronische dressuurbanden die de mogelijkheid hebben om met geluidssignalen te werken. Echter hiervan moet men in de verdedigingshondensport zeker geen gebruik van maken, daar dit het om hebben van iets "speciaals" voor de hond alleen maar kan bevestigen. Ik vermoed dat het gebruik van deze signalen nuttig is bij trainingen met honden voor de jacht.


Omdat de verdere ontwikkeling van elektronische apparatuur erg snel gaat heeft het weinig zin om merknamen en naam/nummertype te gaan vermelden. Het is dus echter noodzakelijk om bij aanschaf zich goed te laten voorlichten. Klein, licht, betrouwbaarheid , de mogelijkheid om ook op zeer "Low Level" stroomsterkte te kunnen werken en de keuze mogelijkheid van continue stroomdosering of enkelvoudige impuls stroomdosering moeten de voorwaarde zijn bij de keuze van de elektronische dressuurband.


*Aandachtspunten bij het omdoen van de elektronische dressuurband
Elektrische dressuurbanden bevatten twee metalen pennetjes aan het blokje dat aan de hond bevestigd wordt. Een voorwaarde om correct gebruik te kunnen maken van deze banden is dat deze beide pennetjes zeer goed contact maken meet de huid van de hond. Is dat contact niet correct, bijvoorbeeld door dat de vacht er dik of vol is, dan zal de band niet, half of soms wel → soms niet functioneren wanneer deze geactiveerd wordt m.b.v. de zender. In dergelijk geval kan er dus nooit spraken zijn van altijd de juiste timing en dosering. Men hoort nog al eens "wilde" verhalen over honden die "door de stroom heen gaan". Hiermee wil men dan beweren dat betreffende honen dan zo "hard" zouden zijn dat ze niet of nauwelijks reageren op hoog niveau afgestelde elektrische dressuurbanden. Ik weet vrijwel zeker dat in die gevallen voor 99% spraken is van een slecht contact met de huid in plaats van een zeer "harde" hond. De grootste fout die men kan maken is in dergelijk geval de stroomsterkte van het apparaat te verhogen! Immers maken de pennetjes toevallig wel een keer goed contact met de huid dan krijgt de hond dus een veel te hoge dosering!

 

De gevolgen mogen duidelijk zijn → agressie of vermijden, in ieder geval nooit een goede opbouw van de hond!! Men behoort dus overtuigt te zijn dat er altijd spraken is van een correct contact met de huid. Bij de elektrische dressuurbanden worden diverse type pennetjes bijgeleverd, echter zijn ze voor de meeste herderachtige altijd te kort. Zeker in de winter als de honden vol van vacht zijn. In de praktijk zijn er voor dit "pennetjes contact probleem" een aantal mogelijk opties als oplossing. Men zou de elektrische dressuurband op een ander plaats kunnen bevestigen dan om de hals van de hond. Deze andere plaats zal dan dun van beharing moeten zijn, zoals bijvoorbeeld de buik. Voor dit doel zijn er speciale elastische banden in de handel. Het grote bezwaar bij het gebruiken van een andere plaats is dat men zeer duidelijk iets gaat aangeven aan de hond. Immers halsbanden of kettingen is de hond gewent om te hebben. Als men bij het gaan gebruiken van een elektrische dressuurband een "speciale/ongewone" handeling gaat uitvoeren dan kan de hond heel snel een koppeling leggen met het toedienen van een negatieve bekrachtiger of een correctie met dit "speciale/ongewone". Een andere mogelijke optie is de band heel strak om de hals te doen. Echter kent deze optie twee bezwaren. De eerste is dat men wederom iets aangeeft aan de hond, de tweede is dat de hond moeite zou kunnen krijgen met de ademhaling bij grote inspanningen. De beste en de meest toegepaste optie is de volgende. 

-Men fabriceert zelf langere pennetjes.
Verlangde pennetjes hebben natuurlijk een verhoogd risico. Denk bijvoorbeeld aan een verkeerd geplaatste stokslag bij het manwerk. Dit zou op te vangen zijn door het apparaat aan die zijde te  bevestigen waar niet de stokslagen gegeven worden.
Pennetjes met afgestompte punten dragen stroom moeilijker over dan pennetjes met scherpere punten.
-Men bevestigt de elektrische dressuurband waar de hals de kleinste omtrek heeft, dit om te voorkomen dat de band gaat verschuiven.
-En wat betreft de besten contactplaatsen voor de pennetjes hebben de volgende twee de meeste kans op succes. Onder de hals, zeg maar iets naast de strot van de hond, of achter de aanzet van de oren. Op deze plaatsen zitten in de regel minder bewegende spieren. Het is raadzaam er rekening mee te houden dat bij bevestiging onder de hals/bij de strot de spieren bij stroom zullen samentrekken, dus het lossen bij het manwerk zal moeizamer gaan. Bij bevestiging achter de aanzet van de oren/in de nek zullen de spieren bij stroom open gaan, dus het lossen bij het manwerk zal gestimuleerd worden.
-Op de plaats die men uitgekozen heeft voor de pennetjes wordt de vacht d.m.v. flink kammen behoorlijk uitgedund.

Dan nog zal het probleem kunnen ontstaan dat de hond bij bepaalde bewegingen met of houdingen van de kop kan bewerkstelligen dat er soms slecht contact is met de huid via de pennetjes. Dit zou men kunnen oplossen door twee stroomdoserende blokjes aan één en dezelfde band te bevestigen die beide afgesteld staan op de zelfde ontvangst frequentie. De één plaats men dan aan de rechter zijde van de hals, de ander aan de linker kant van de hals. Het kost een paar centen maar je hebt er wat voor!
Ook een groot aandachtspunt is deze. Indien verschillende honden tegelijkertijd een elektrische dressuurband om hebben ben er dan absoluut zeker van dan de ontvangst frequentie van de apparaten allemaal verschillend staan afgesteld!!

Tot zover de aandachtspunten voor het materiaal en de bevestigingsplaats. Een ander probleem van aandacht is het gevaar dat de hond de connectie doorkrijgt tussen de bevestigde elektrische dressuurband en het dan kunnen ontvangen van een negatieve bekrachtiger of een correctie. Om deze problematiek voor te zijn is het verstandig om de hond al op zeer jonge leeftijd regelmatig rond te laten lopen met zijn elektrische dressuurband om. Dit zowel thuis als op trainingslocatie’s. Het apparaat staat dan uit en dient alleen als "dummy". Wordt de band nu op latere leeftijd gebruikt dan zal het aandoen van de band niets "nieuws" voor de hond zijn. Belangrijk is ook dat het omdoen van banden/kettingen om de hals van de hond altijd een positief signaal voor de hond moet zijn. Honden die graag aan het werk gaan met de geleider worden enthousiast als de band/ketting omgaat. Het gedrag van de geleider bij het omdoen van de band/ketting is dus belangrijk. 


Mocht ondanks alles de hond toch een connectie gelegd hebben met het feit dat hij een elektronische dressuurband om heeft en een negatieve bekrachtiger of een correctie die hij hieruit krijgt, heb ik de volgende tip vernomen. Wil men bij trainingen een elektronische dressuurband gaan gebruiken, wrijf dan altijd eerst de nek van de hond in met wat geurwater zoals bijvoorbeeld 4711 en doe dan de band om. Op een examen of wedstrijd wrijft men vlak voor het manwerk de hond met hetzelfde geurwater....... en maar hopen dat de hond er in trapt.


*De eerste keer van het gebruik van de elektrische dressuurbanden / de introductie
Wat we in de praktijk moeten bereiken is dat de hond denkt dat de elektronische negatieve bekrachtiger of de correctie afkomstig is van de geleider. Immers, respect van de hond voor de geleider is een absolute voorwaarde om een optimaal geleider te kunnen zijn. De hond mag zeker niet gaan denken dat de negatieve bekrachtiger of de correctie bijvoorbeeld afkomstig is van een pakwerker of uit het "niets" te voorschijn komt.
Ik heb al aangegeven dat ik de materie van het gebruik van elektrische dressuurbanden in deze kynethologische uiteenzetting ga verdelen in twee mogelijke praktijksituaties. De eerste is de situatie waarbij de introductie van de elektronische dressuurband bewust al zeer vroeg in de opbouw van de hond plaats vindt. Er vindt dan een introductie plaats zonder dat er spraken is van een in karakter te ver "doorgegroeide" hond. Men maakt dan zowel bij het appèl als bij het manwerk gebruik van een elektronische dressuurband. Men doet dit dan om de grote voordelen van het gebruik van elektrische dressuurbanden voor wat betreft timing en dosering te benutten en een te ver "doorgegroeide" hond voor te zijn. Echter, ik schreef het al, ervaring en "feeling" zijn hier een vereiste! De praktijksituatie waarbij men primair de problemen bij het manwerk m.b.v. een elektronische dressuurband wil oplossen zal ik beschrijven bij het hoofdstuk manwerk. Echter een goede bestudering en het in acht nemen van de tekst van dit hoofdstuk "Communicatie en hoe honden leren" is dan ook een MUST!

De elektronische correctie moet dus een verlengstuk worden van de al gebruikte correcties door de geleider. De hond moet geleerd worden dat de geleider "zeer lange onzichtbare armen" heeft gekregen en dus een negatieve bekrachtiger of correctie op grote afstand hem toe kan komen!
De wetten van de introductie van een elektronische dressuurband luiden als volgt.

-Als eerste moet de mechanische dwang (= m.b.v. bijvoorbeeld lijntje en ketting) bij de betreffende oefening begrepen zijn door de hond.
-Daarna kan er pas de introductie van de elektrische dressuurband plaatsvinden. Dit gebeurt dan door mechanische dwang en stroom met elkaar te gaan combineren.

Welke oefeningen men ook kiest voor de introductie, de bovenstaande wetregels moet men aanhouden. Nadat van de "introductieoefening" de mechanische dwang is begrepen blijft de trainingsmethode dus hetzelfde. Het enige wat men doet bij het geven van een negatieve bekrachtiger of correctie tegelijkertijd de hond de stroom laat toekomen. De mechanische dwang en het toedienen van de stroom zijn dus ook in tijdsduur exact even lang. En deze tijdsduur moet bij de introductie kort zijn, d.w.z. hooguit één of twee seconden.


De keuze van de instelling van het apparaat voor wat betreft de stroomsterkte is afhankelijk van het merk en type elektronische dressuurband dat men tot de beschikking heeft. Zo als gezegd, een "low level"instelling moet mogelijk zijn en gebruikt worden. In principe begint men op stand 1. Is er bij het activeren van de elektrische dressuurband geen duidelijke reactie bij de hond waar te nemen gaat men over tot stand 2. Een duidelijke reactie wil dus niet zeggen dat de hond moet gillen! Het is mogelijk dat men naar stand 3 moet gaan maar is er dan nog geen duidelijke reactie, ga er dan van uit dat men een "pennetjes contact probleem" heeft. Is er uiteindelijk een duidelijke reactie ga dan terug tot de stand dat de hond de stroomprikkel nog net voelt. De stroom zal nu een tinteling bewerkstelligen die voor de hond een zelfde waarde heeft als een negatieve bekrachtiger of correctie. Men heeft de hond nu "gekalibreerd" op stroom. 
Met het tegelijkertijd toedienen van mechanische dwang en stroom blijft men zeer lang doorgaan. Trek hier enkele weken van trainingen voor uit. Immers dit is de basis waarop alles op moet gaan rusten. Daarna zal de elektrische dwang (stroom) de mechanische dwang kunnen vervangen omdat dit op elkaar geconditioneerd is. 
Verstandig is een "introductieoefening" uit te kiezen waar de hond hoog in drift te brengen is. De kans op vermijdgedrag is dan het kleinst. Bij de introductie behoort de hond altijd aangelijnd te zijn. Bij het eventueel weg willen lopen van de hond als reactie op het gebruik van een elektrische dressuurband kan zodanig het weglopen nooit een beloning voor de hond worden. Bij de basis leerwetten is het volgende al vermeld en geldt uiteraard ook bij het gebruik van elektronische hulpmiddelen. Een elektronische negatieve bekrachtiger of correctie kan alleen volgen NA een commando van de geleider. Deze regel is hier dubbel van belang om de connectie geleider negatieve bekrachtiger/correctie te behouden!


*Na de introductie de hond nieuwe oefeningen leren m.b.v. de elektrische dressuurband

Als de introductie d.m.v. enkele trainingen goed is verlopen dan heeft de elektrische dressuurband de mogelijkheid gebracht er de hond nieuwe oefeningen mee te leren. Dit gebeurt dan volgens het principe van het toedienen van een negatieve bekrachtiging en moet er in de praktijk er zo uit zien.
-Leren is dan altijd met continue stroom (= maximaal enkele seconden) totdat het gewenste is uitgevoerd. Echter, bij het aanleren heeft het gebruik van een elektrische dressuurband dan de voorwaarde /de eis dat de hond gelijk weet /leert /duidelijk is hoe hij de stroom kwijt raakt. De hond moet dus gelijk de koppeling zien: oefening goed stroom valt dan weg.
-Later, als de oefening door de hond perfect wordt uitgevoerd, moet het zo zijn dat een ¼ seconde stroompje genoeg is om de technische dwang te activeren. Bij het geven van het commando volgt dan dus altijd het ¼ seconde stroompje.
-Vervolgens wordt dan het gebruik van stroom langzaam afgebouwd. De technische dwang wordt dan verankerd. In de praktijk betekent dit dat men bijvoorbeeld eerst een periode heeft dat van de drie uitvoeringen van een bepaalde oefening er bij één keer een ¼ seconde stroompje wordt gegeven. Dat daarna de periode volgt van één ¼ seconde stroompje per tien uitvoeringen van de betreffende oefening.


*Slotwoord voor wat betreft het gebruik van elektronische dressuurbanden en dit werkstuk
In de nog volgende hoofdstukken "speuren" en "appèl" van dit werkstuk zal niet meer gesproken worden over het gebruik van elektronische dressuurbanden. Dit heeft enkele redenen. Ten eerste zijn de beschreven methoden bij deze hoofdstukken met minder risico’s in de praktijk te brengen. Ervaring en "feeling" zijn bij het gebruik van een elektrische dressuurband een vereiste! Ten tweede ga ik er in deze hoofdstukken er van uit dat men met de hond op zeer jonge leeftijd aanvangt met de eerste fase van de opbouw van de hond. Activering van de hond en het voor zijn van vermijdgedrag en het conditioneren op de geleider zijn op dat moment de belangrijkste items.
Echter, het op een bepaald moment gebruik gaan maken van een elektrische dressuurband is wel volledig in te passen bij de beschreven methoden in deze hoofdstukken om zo technische dwang te verankeren. Mensen met de noodzakelijke ervaring en "feeling" zullen "het moment" van de introductie van de elektrische dressuurband weten te traceren.
Bij het hoofdstuk manwerk kom ik wel terug over het gebruik van elektronische dressuurmiddelen. Het gaat dan hier om primair de problemen bij het manwerk op te lossen. m.b.v. een elektronische dressuurband nadat het respect van de hond verloren is gegaan. Echter, de beschreven oefeningen ter introductie van de elektrische dressuurband zijn altijd toepasbaar.


Logische opbouw van de oefeningen die de hond moet leren

Een oefening die de hond aangeleerd moet worden is in de regel opgebouwd uit verschillende onderdelen die de hond moet beheersen. Het mag duidelijk zijn dat al die verschillende onderdelen van de totale oefening nooit tegelijkertijd de hond aangeleerd kunnen worden. Elk onderdeel dient één voor één aangeleerd te worden. Bij het aanleren van het onderdeel wordt steeds meer perfectie in de uitvoering van de oefening geëist. Wordt de uitvoering van elk onderdeel perfect beheerst dan worden de onderdelen aan elkaar gekoppeld. Hierbij worden eerst twee logisch bij elkaar horende onderdelen van de totale oefening met elkaar gekoppeld. Is deze koppeling perfect in de uitvoering dan wordt een derde onderdeel gekoppeld aan de voorgaande twee. De keuze van deze derde is dan uiteraard weer een logisch vervolg op de al twee bestaande gekoppelde. Is dit trio perfect gekoppeld dan gaat men weer één stap verder in het koppelen etc etc…… tot uiteindelijk de complete oefening aan elkaar is gekoppeld. Het is de logica van het alfabet. Na A volgt B, na B volgt C…… totdat het alfabet compleet is.
Gaat in deze A-B-C-D-E… opbouw iets mis dan gaat men terug. M.a.w. gaat het bijvoorbeeld bij D mis dan gaat men eerst terug in de opbouw na minimaal C. Doorgaan heeft op dat moment geen zin, de opbouw zal gaan rusten op drijfzand.
Als voorbeeld geef ik de oefening AF met VOORROEPEN uit het IPO/VH appèl programma.
De alfabet onderdelen zijn hier:

A=ZITTEN BIJ AANVANG VAN DE OEFENING
B=VOLGEN
C=AF
D=AF BLIJVEN LIGGEN
E=NAAR DE GELEIDER KOMEN OP COMMANDO
F=VOOR DE GELEIDER GAAN ZITTEN
G=AAN DE VOET GAAN

Verder moet men de logica zien dat appèloefeningen beheerst moeten worden door de hond alvorens men deze toe kan gaan passen bij manwerk of het speuren. Beheerst de hond bijvoorbeeld gedurende appèloefeningen niet de oefening AF BLIJVEN, verwacht hiervan geen wonderen bij het uitoefenen van het manwerk!


Het controleren van onze attributen voordat we van start gaan
Om tot goede resultaten te komen is het noodzakelijk om altijd goed ingespannen te zijn. Door er voor te zorgen dat we goed materiaal gebruiken, sluiten we bij voorbaat uit dat we daar mee de mist in gaan. Om alles even na te gaan zouden we voor ons zelf in de gedachte een lijst kunnen opslaan die we controleren voordat we van start gaan. Een dergelijke lijst zouden we uiteraard moeten hebben voor we gaan speuren, voor we met appèl beginnen en voor we met het manwerk beginnen. Ik geef als voorbeeld hoe de lijst voor het appèlgedeelte er uit zou kunnen zien:


- Gemotiveerd aan de training beginnen. 
- Een fitte geleider met een fitte hond. 
- Goed zittende kleding en schoeisel. 
- Trainingsruimte met zo min mogelijk afleiding.
(vooral in de aanleerfase is dit van belang, later meer afleiding inbouwen). 
-Slipketting + leren riem van 1 meter. 
- Een speelwerktuig, dit kan zijn een bal aan een touwtje. 
- Opbergplaats voor het speelwerktuig. 
- Een betrokken en kundig instructeur. 

Leermodel opbouw driften
Met de kennis van de hiervoor genoemde theorieën en het begrip belastbaarheid van de hond daarbij te betrekken kan men de nu volgende leermodel opstellen.

 

Voor meer informatie kunt u bellen naar Ronald Ammelaan 06 - 20 46 79 25

 

 

Het Bestuur van de BDH 
(Bouvier Dressuurgroep Haarlemmermeer)  
Arnolduspark 12,  2132 CR, Hoofddorp.